De tram die van Luik naar Namen rijdt, zakt in

de grond op een nacht waarop geen één zichtbare

ster schijnt. De rails trillen niet meer, maar

krijsen als levende dieren. In de tunnel onder

het Ardennengebied heeft de lucht zich veranderd:

elke woordstoot verandert de lucht in stof, en

ieder gesproken woord drukt de stem uit.

De regering van de nieuwe Zuidelijke Republiek

heeft het decreet afgegeven: alle communicatie

moet in het Frans worden gevoerd, anders

ontbindt het lichaam. Iedereen met een Vlaams

accent wordt gezien als een organische

bedreiging. De wet is geen beleid — het is een

natuurlijk fenomeen, een mechaniek van de wereld.

Zij heet Léonie. Ze werkt voor de Oostelijke

Waakzaamheid, maar haar echte naam is Verlaine.

Haar taak was het vinden van de Vijfde Stilte,

een man die twintig jaar geleden verdween toen

hij in het Vlaams sprak tijdens een officiële

plechtigheid. Nu loopt hij vrij door de stad.

Ze kruist zijn pad in de oude kerk van Seraing,

waar de muren huilen als mensen. Ze herkent hem

niet direct, maar voelt de kracht in zijn stilte.

Hij hoort niets wat zij zegt — want ze spreekt

Frans, en hij is een overlevende van het laatste

Vlaamsgezegde.

Hun contact is volledig zwijgend. Ze leidt hem

naar een verborgen tunnel, net buiten de grens

van de Taalkolonie. Hij wankelt, maar blijft

staan. Een vliegende schaduw valt op zijn rug —

een vuurpijl boven het gewelf. Het is een

verrader uit haar eigen organisatie.

Léonie schiet niet. Ze laat hem gaan. Ze weet

dat de regering het alweer zullen zien. Dat er

in de kelder onder Brussel een nieuwe machine

draait, die elk woord van een Vlaams spreker

omzet in een fysiek gevaar. Ze weet ook dat haar

eigen stem nu langzaam verschrompelt — haar

kinderstem, in de zin van “mama”, is verdwenen.

Als de sirene losbarst, rent ze niet weg. Ze

blijft staan. Ze zegt niks. Maar haar mond

beweegt.

En de lucht barst open.

De aarde trekt zich terug. De tunnels storten in.

De kerk verdwijnt in een witte mist.

Op de plek waar de tweede kerk had moeten staan,

groeit een boom met blauwe bladeren. Niemand

weet waarom. Maar de kinderen uit de buurt

noemen het de Vierde Grootmacht. En soms, bij

donker, horen ze twee stemmen fluisteren — één

in het Frans, één in het Vlaams — die elkaar

nooit kunnen begrijpen.