1937, Antwerpen. De kerkklokken slaan niet meer
bij zonsondergang — de nieuwe wet zegt dat tijd
nu geregeld wordt door de Lichtmaatstaf, een
machine in het centrum van de haven die elk
moment in elektrisch fluïdum omzet. De stad
ademt in stappen van blauw licht. Mensen lopen
met gevoel voor tijdschikking, en wie te lang
stil staat, wordt gezien als ongeordend.
Eén jonge vrouw, Lina, werkt als vormgeefster
bij de Grote Werkplaats van Gedachten. Haar taak:
vormgeven aan de nieuwe wereldbeeldjes die de
Staf voedt. Ze tekent geen mensen meer — alleen
abstracte patronen van stilte, van bloeiende
mist, van iets wat nooit werd gezegd. Haar werk
wordt geruime tijd overgeslagen. Maar dan begint
ze te merken dat haar ontwerpen beginnen te
leven: een schaduw beweegt zonder licht, een oog
op een kaart kijkt terug.
Het eerste teken: een vlieger uit haar oude
dagboek, gevonden in de stort. De vlinder op de
vlieger is half verbrand, maar de vleugels zijn
nog bezig zich te openen. Ze houdt hem vast — en
voor één seconde klinkt er een stem, niet in
haar hoofd, maar in de muur achter haar. Geen
woorden. Alleen een zucht.
Ze besluit niet te denken. Ze stopt met werken.
Gaat naar de Ardennen, naar een oud klooster in
het bos van Seraing. Daar herinnert ze zich:
vóór de Lichtmaatstaf, was zij geen vormgeefster,
maar een schoolmeesteres in een dorpje tussen de
heuvels. Haar leerlingen tekenden geen patronen —
ze tekenden elkaar. En toen de maatstaf kwam,
werden alle kinderen ingeschreven. Hun geheugen
werd uitgelezen. Zij had de aantekeningen van
hun namen gewist.
Tijdens de nacht in het klooster, raakt haar
hand los van het bed. Het boek in haar schoot
flitst open. De pagina’s zijn leeg. Maar op de
rand van een vel, verschenen in zwarte inkt: Je
hebt mij niet vergeten. Je hebt mij gestolen.
Op de ochtend daarop verschijnt er een tweede
vlieger aan de voet van de trap. Deze keer is
hij volledig wit. In de wind trilt hij alsof
iemand hem net heeft losgelaten.
Lina klimt de toren op. De stenen zijn warm. Ze
haalt de vlieger uit haar mouw. Haar handen
trillen niet meer. Ze laat hem vallen. Hij
zweeft niet — hij daalt. Een halve meter boven
de grond blijft hij hangen. Dan breekt hij in
tweeën. Van de splinters vloeit een zachte gloed,
niet blauw, maar grijs.
De lucht sterft. De lichtvelden in de stad
knipperen. Niemand weet waarom. Iedereen ziet
het niet. Maar in de haven, waar de Maatstaf
staat, loopt een man in een witte jas naar
binnen. Hij pakt de ingebouwde regenmeter. Onder
zijn hand kruipt een klein schaduwbeestje uit de
onderkant. Het kruipt over zijn pols. Hij
glimlacht.
Lina is verdwenen. Er is geen spoor. Geen graf,
geen naam. Op de dag na haar verdwijning,
verschijnt er een nieuw schilderij in de
museumhal van Antwerpen. Een vlinder. Zonder
vleugels. Met één oog.
En in de muren van de stad, in de donkere hoeken
van de metro, fladdert iets. Niet van licht. Van
zwijgen.
De wereld gaat verder. Maar iets is losgemaakt.
Cynique. Résistance silencieuse. Identité volée.
Muse tragique. Hommes. Fantasy.


