De voordeur van het pand in SintJansMolenbeek
zakt dicht met een klank alsof het hout zich
herinnerde. Het is 1952, en de elektriciteit in
de wijk loopt door een nieuwe stroomkring die
geen vlammen laat groeien in de brandkasten —
alleen in de ogen van mensen.
De straten zijn gebouwd op een nieuw principe:
iedere huiskamer moet een zinvolle stilte
bevatten. De wet vereist dat niemand binnen een
huishouden meer dan vier woorden per dag mag
uitspreken. Aanwezigheid geldt als geluid. De
overheid noemt het "verstandelijke
ontsmetting".
Zij, een dochter van een oud geslacht van
kooplieden, was de laatste die nog schreef in
haar notitieboekje. Nu ligt het onder haar
matras, ingeslagen met zware steen. Haar handen
trillen niet bij het zien van het grijze papier.
Ze weet dat ze het niet mag lezen. Maar haar
hoofd zegt iets anders.
Binnen de muren begint haar geheugen te
vervormen. Herinneringen aan kindertijd in de
Ardennen verschuiven: de jongen met de
speelgoedtrein verdwijnt, wordt vervangen door
een man in een witte jas die haar blik vasthoudt
zonder te praten. Zij draagt nu een jurk van
lichtgrijze wol, maar weet dat ze die nooit
gekocht heeft.
Het systeem werkt via een duurzame trilling in
de muurplaat. Ieder mens die buiten de regels
valt, ontvangt een stoot in de hersenen — een
correctie. Een vrouw die haar naam hardop noemt,
wordt plotseling blind. Een man die naar de tuin
wil, staat een uur lang tegen de muur, totdat
hij begint te fluisteren.
Haar grootmoeder had een schriftelijk testament.
In het origineel stond: “Laat niemand je geest
leiden.” Maar toen het werd ingezien door de
Centrale Registratie van Geestelijke Orde, werd
het door een machine uitgeprikt tot één zin:
“Geen gedachten zijn nodig.”
Vandaag brengt ze het boekje terug naar de
berging. De trilling in de muur flauwt. Voor het
eerst sinds maanden voelt ze iets wat niet is
ingesteld. Ze krabt op haar arm. Een snee. Bloed
druipt. Het bloed is warm. Het is echt.
Ze hoort geen stem. Ze voelt geen dwang.
Maar op haar spiegel verschijnt een nieuwe
schaduw — niet haar eigen gezicht. Een glimlach.
Een oog dat niet haar oog is.
De volgende ochtend blijft de telefoon stil.
Geen boodschap. Geen klant. Geen vreemd gerucht.
Alleen een brief in het postkantoor met haar
naam. Het papier ruikt naar hars. Binnen de
envelop zit een foto van haar kinderjaren. En op
de achterkant, in een handschrift dat niet van
haar is: Je bent al weg. Je bent hier niet meer.
Ze gooit hem in de ketel. Het vuur gaat niet aan.
De pan blijft koud.
Als ze de deur openslaat, zie je niemand. Alleen
de stoep. En de stille auto.
De stad blijft leven. Maar haar huis is niet
meer haar huis.
Niemand komt meer. Niemand gaat.
En toch — ergens, in een kelder onder een sluis
in Vlemy, begint een radio te knetteren. Een
stem, zonder tekst. Alleen een adem.
De stilte is gevuld.


