De kerk in HérouxDuBois staat niet meer op de
kaart. Na de Duitse bezetting is het gebouw
ondergedompeld in leegte, muren gescheurd door
bliksem, vloer vol puin van steen en oud papier.
De klok heeft gestopt bij 3:17, maar iedere
nacht laat hij een schok voelen — alsof de tijd
zelf terugvalt.
De vrouw in de kerk noemt zich geen heks. Ze
draagt een jas van grijze wol, handschoenen
zonder vingers, en zet elke avond een stenen
figuur op het altaar. Die figuur is haar
grootmoeder, maar geen levende persoon. Het is
een beeld van een meisje dat nooit geboren werd —
de vierde kind uit een familie van drie dochters,
genoemd om de dood te vermijden.
Sinds de OostWalense overstroming van '49, is er
een nieuwe wet in de streek: wie droomt,
verdwijnt. Niet letterlijk — maar hun
herinneringen worden weggevaagd, als was het
neerslag. Kinderen zien geen ouderen meer,
ouders houden geen namen vast. Alleen de vrouwen
van de linie kunnen tegenhouden wat komt.
Zij, de sorcière moderne, werkt met pijn. Elke
nacht plaatst ze een stukje van haar eigen
kinderleven op het altaar: een klinkende sleutel,
een foto van een spiegel, een brief die nooit is
geschreven. De lucht in de kerk wordt dik,
kleurloos. Een wind van stilte komt uit de muur.
Op de veertiende nacht na de laatste aardebeving,
doet het beeld van de vierde grootmoeder iets
nieuw: het beweegt. Zonder geluid, zonder
toewijding. Maar de tafel onder het altaar
begint te kraken. De muren fluiten in een taal
die niemand kent.
Toen de heks haar hand op de figuur legde,
voelde ze het — haar jeugd, de klank van haar
moeders stem, de smaak van appeltjebonbon op de
plek waar de schuld had moeten zijn. Haar
geheugen was afgesloten. Nu kwam het terug. Niet
als herinnering, maar als dwang.
Ze kon niet stoppen. Elk stukje van haar geheim,
elk verborgen detail, werd getoond in het beeld.
De grote kerk zakte in. De straten van de stad
werden grijs. Mensen in de haven staarden naar
hun handpalmen — en zagen daar niets dan een gat.
De volgende ochtend lag de kerk open. Niemand
durfde binnen. De muziek van de klok klonk weer —
nu op 3:17, maar deze keer langzaam, alsof het
wees.
En in de bosrand, voorbij de ingang van de mijn,
stond een meisje. Ze droeg een witte jurk. Ze
had geen naam. Ze keek naar de hemel. En toen
sloeg ze een blauwe hand in de grond.
De wereld had een ander systeem gekregen. Niet
van macht, niet van wet. Maar van herinnering.
De heks was verdwenen. Maar haar kinderleven
bleef leven.
Mélancolique. Als een echo in de grond.


