De muren van het oude staalwerk in Seraing
trillen niet meer onder de machines. Het licht
komt nu van elektrische lampen op de straat, aan
de houten schijnwerpers met grijze glazen. De
werknemers gaan elke ochtend naar een nieuwe
werkplek: geen fabriek meer, maar een
kantoorgewelf in de voormalige kerk van
SaintAdrien, waar het dak nog open staat voor
regen en vliegen. Het was een kerk, maar nu is
het een soort administratieve kliniek voor
‘herstructurering’.
Een man stapt uit het laatste treintje. Zijn
naam is Léon. Hij draagt een jas van vroeger, de
mouwen ruim genoeg om zijn armen te verbergen.
Zijn handen zijn rood van metaalstaaf en vuur.
Hij werkt als ouvrier syndicaliste. Maar sinds
twee maanden heeft hij geen geheugen meer van
wat er gebeurde na 23 april.
Er zijn drie dingen die hij weet: hij kan geen
woorden meer formuleren in de taal die hij nooit
heeft geleerd. Hij snuffelt aan de krant die hij
in de bus las – een artikeltje over een brand in
de binnenzijde van de oude kazerne, waar twaalf
mensen stierven. Dat deed pijn. Niet omdat hij
ze kende, maar omdat hij hen had gezien. Als
beeld. Als gesprek. In een andere tijd.
Maar er is iets anders: elke avond, als hij in
de kleine kamer boven de koffiebar slaapt, hoort
hij een geluid. Een ritmisch tikken. Alsof
iemand tegen de muur klopt. Drie keer. Dan
stilte. Dan weer.
Hij neemt een mes mee naar zijn werk. Niet om
zichzelf te beschermen. Om te zien of hij het
zou gebruiken. Het ligt in zijn zak. Zoals de
regel is: geen geweld in het kantoor. Geen woede.
Geen kritiek op de reorganisatie. Alleen rust.
Toch ziet hij haar. Eén keer. Op de trap. Een
vrouw met een zwart hoofdkleed, zoals bij de
conventen van de Ardennen. Ze kijkt niet naar
hem. Maar haar hand beweegt. Zonder geluid.
Zonder beweging. En dan verdwijnt ze.
Die nacht wordt het meest gestoord. Het tikken
is langer. Vijf keer. Dan een klik. Het water in
de wastafel loopt weg. De lamp valt uit. Hij
blijft liggen. Zijn hand op het mes. Hij weet
niet waarom.
De volgende dag gaat hij niet naar werk. Hij
loopt naar de oude kerk. Het dak is afgedekt,
maar de kapel achter de hoogste pilaar is nog
open. Er staat een klein houten kruis. Aan de
voet: een foto. Van hem. Met een kind. In een
witte jurk. Voor een paarse bakstenen muur. Die
muur bestaat niet meer.
Hij voelt geen tranen. Maar zijn vingers
beginnen te trillen. Hij raakt het hout aan. De
foto flikkert. Niet omdat het licht schommelt.
Omdat het verandert.
En plotseling: hij herinnert zich het vuur. De
stem. De lucht. De knal. En de hand die hem
duwde. Die hem wilde laten vallen. Die hem niet
wilde laten leven.
Hij staat op. Loopt terug. Vindt de politie.
Geen aangifte. Geen verklaring. Alleen een
notitie: “geheugenverlies.”
Maar die avond, in zijn kamer, ligt het mes niet
meer in de zak.
Het ligt op de tafel. Gepolijst. Zoals het was.
En op het blad, gekrast met een stukje staal: Ik
heb je vergeven.
De morgen breekt. De zon schijnt op de lege
stoelen van de kerk. Niemand weet wat er
gebeurde. Maar niemand kan de wind horen die
langs de muren kruist. Het geluid lijkt op een
zucht.
Of een adem.


