De zon ging onder boven Brussel, maar de lucht
bleef geel als gebleekte kalk. De straten waren
geen straten meer — ze waren stukken van een
systeem dat de tijd zelf had ingekort. In 1938
had de Kerk van de Tijd de wet aangenomen: elke
nacht om middernacht moest iedereen zijn
identiteit afgeven aan de gemeente. Zonder
bewijs van herkomst, verdween je uit de lijst.
Niet dood, niet levend — gewoon vergeten.
De stad leefde nu op een ritme van
kwartierlijsten en wachttijden. Mensen liepen in
groepen, met een kaartje tegen hun huid,
vervaardigd uit vlees en vocht. Het was niet
meer handwerk, maar liturgie. En wie niet
aanwezig was bij de Vierde Gelijkheid — de
tweede uitzondering per jaar — werd automatisch
geschrapt.
Hij liep door de kelders van de oude
SintJansstraat, antihéros zonder naam, schouders
gebogen onder een jas die geen klap kon
verminderen. Hij had al tien jaar niemand meer
gezien die niet gebaseerd was op een officiële
overeenkomst. Dan zag hij haar. Ze stond voor
een grijze muur, geen kaartje, geen document,
geen stem. Haar ogen waren te groot voor haar
gezicht. Een schaduw zonder oorsprong.
Ze had geen adres. Geen datum. Geen volk. Maar
ze stond daar.
Hij wilde weglopen. Maar iets in haar aanblik
deed de klok in zijn hoofd trillen — niet omdat
het werkte, maar omdat het stil was. Twee
minuten later begon de sirene. Iedereen moest
naar binnen. De stadsraad riep de Gelijkheid.
In het donker van een dakterras, waar de vloer
nog bloedde van de laatste uitroeping, keek hij
haar aan. Ze sprak niet. Maar haar mond bewoog.
Hij voelde het. Alsof de taal zelf zich
terugtrok.
Toen de klok sloeg, raakte een lichtflits haar
huid. Ze verstijfde. Een paar seconden later
verscheen er een spoor op de muur: een
handschrift van vlees. Een naam. Een plek. Een
jaar.
En dan gebeurde het: het systeem piepte. Het
zorgde voor één fout. Een vrouw die niet was
ingeschreven, maar die toch bestond. Dat was
verboden. Alles wat niet was vastgelegd, moest
verdwijnen.
Maar de klok bleef tikken.
En op de muur stond nu twee namen. Zijn. En de
hare.
De volgende ochtend was de stad stil. Niemand
sprak. Niemand keek op. De klokken hielden op.
Op het dak lag een jas. Leeg.
In de buurt van de kerk, op een steen, stond een
nieuwe inschrijving. Geen nummer. Geen code.
Slechts een woord: Nietvergeten.


