De kelders van Brussel worden levend onder het
zware gewicht van de zomerhitte. In een
appartement boven een gesloten bakkerij, met
alleen een oude radio als getuige, zit Lina op
de vloer, haar rug tegen de koude stenen muur.
Haar handen trillen niet van angst, maar van het
gewicht van iets wat nog niet gebeurd is.
Zes maanden geleden stond ze in een schoolzaal
in Charleroi, voordat de scholen op slot gingen
en de politie de kinderen uit de klassen trok.
Nu staat de oorlog buiten de deur, maar binnen
de stad leeft een ander soort straf: de Droomwet.
Niemand weet hoe of waar hij begon, maar sinds
1935 moet elke nacht iemand in een specifieke
ruimte slapen, zonder licht, zonder geluid,
zonder beweging. Als je droomt, verandert de
wereld. En als je niet droomt, word je verdwenen.
Lina was er nooit bij. Ze vloog over de grens
naar Brussel, hoopte op anonimiteit. Maar in een
kelder onder een winkel aan de Rue des Bouchers,
in een buurt waar de taal zich verscheurt tussen
Vlaams en Frans, voelde ze het eerste sprankje.
Een stem in het duister. Een hand die haar pols
vastgreep. Hij heette Samir. Hij had geen naam
meer, alleen een nummer. En hij herinnerde zich
alles.
Ze droomden samen. Elke nacht. Niet in hun hoofd,
maar in de muren. Het kerkje aan de rand van
SintGillis viel om, gebouwd op een grond die
nooit was aangebroken. De tramlijn die nooit had
bestaan, reed nu door het centrum. Kinderen in
oude uniformen speelden in een plein dat al
jaren onherbergzaam was. En Lina zag haar moeder
staan, achter een glaswand, met een brief in
haar hand. Die brief bevatte een voorspelling:
“Je zult hem doden om te leven.”
De wet kon niet ingrijpen. Alleen het dromen kon.
En het dromen had zijn eigen regels. Als twee
mensen droomden in dezelfde ruimte, veranderde
de wereld één keer. Geen tweede keer. En als de
droom werd gehouden, kwam het moment van keuze.
Op de avond van de zeventiende nacht, toen de
stad zwart lag van de stroomuitval, begon de
regen te vallen. De kelder leek te ademen. Samir
pakte haar hand. Hij zei niets. Maar in de droom
die volgde, zag Lina hem sterven. Niet in een
slag, niet in een vuurgevecht — maar langzaam,
terwijl de muren rond hem instortten. Zijn
lichaam werd opgegeten door de grond. En toen ze
wakker werd, lag zijn nummer op haar arm,
brandend als een zegel.
Ze drukte haar hand tegen de muur. Het beton was
warm. Het zweet droogde af. De telefoon in de
kamer piepte. Een automatische boodschap:
“Droomt u nog?”
Lina haalde diep adem. Ze liep naar de deur.
Duwde hem open. De lucht was loodzwaar. De zon
stond laag. Op het plein voor de kerk, waar geen
kerk meer stond, stond een meisje. Ze droeg een
witte jurk. Ze hield een boek vast. Het boek had
haar naam.
En de zon zonk niet. Het bleef lichten.
Feutré. Ongeschreven. Vol.


