Vlaanderen, 1932. De stad Antwerpen ademt staal
en benzine. Fabrieken roken uit hun schoorstenen
alsof de lucht zelf bezweken is onder de last
van industrie. De eerste treinen met
verkeerslichten zijn ingevoerd, maar de mensen
praten nog over het verlies van de taal: wat
Frans was, is nu Vlaams. Wat Vlaams was,
verdwijnt.
Een vrouw in een donker jas staat op het perron
van het station van SintGillis. Haar naam staat
niet op de paspoorten in haar tas. Haar gezicht
is op alle nieuwsbladen, maar niemand herkent
haar. Ze heeft geen geheugen van haar
kinderjaren, geen geheimen. Alleen een
handtekening op een brief die nooit is
afgeleverd.
In de nacht van de eerste ‘Stilte’ – een
maandelijkse nationale stilte ter ere van de
doden van de Eerste Wereldoorlog – worden drie
werklieden in de haven dood gevonden. Hun ogen
zijn gesloopt, hun hersenen leeg. Een
politieagent, gekleed in een bruine jas met een
slechte schouder, bewaart een notitieboekje vol
woorden die nooit bestaan hebben: “snoepzak”,
“blikje melk”, “morgen” in een taal die er niet
is.
Zij – de spionne dubbel – wordt gearresteerd.
Geen bekentenis. Geen verdediging. Alleen een
vingerprint op een glazen buis die nooit in de
fabriek was. De wet verklaart: wie geen
herinnering heeft, heeft geen identiteit. En
zonder identiteit, geen rechten.
Op de tweede dag van haar detentie, wordende
bezoekt door een man in een witte jas die geen
voetstappen achterlaat, snijdt hij een plek in
haar slapen. Niet bloed. Een glinsterend patroon,
als littekens van een schrijftafel. Het moment
waarop ze haar vader herinnert – een man met een
sigaret in zijn mond, die zegt: “Je moet niks
geloven wat je niet kunt zien.”
Ze draait zich om. De muren van de cel beginnen
te trillen. De lampjes aan het plafond flitsen
in een ritme dat niet in het elektriciteitsnet
zit. De andere gevangenen kijken naar haar, maar
hun ogen zijn leeg. Zij hebben ook geen geheugen.
Ze zijn allemaal geweest.
De volgende ochtend staat het nieuws: het
hoofdkantoor van de Rijkswacht is verlaten.
Iedereen is verdwenen. Slechts één persoon
blijft achter: een jongen met een rode bal in
zijn hand, die zegt niets. Maar als zij hem
aankijkt, begint hij te huilen. Zijn tranen zijn
groen.
In de avond brengt de wind een klank van een
lied dat nooit werd gezongen. Het komt van de
Ardennen. Van de oude heuvels. Van een dorp dat
nooit op de kaart staat.
En dan – in een zwart scherm dat verschijnt in
elk raam van de stad – een nieuwe datum. 1933.
Maar het is 1932.
De wereld houdt haar adem in.
Niemand weet hoe lang dit al duurt.
Maar ze weet nu: haar geheugen was nooit weg.
Het was verborgen. Door hen. Door het systeem.
Door de bruijne nacht.
Het is afgelopen.
De laatste stroom stopt. De sirenes gaan niet
meer.
De regen valt in onzin.
En in de schemering, tussen twee dingen, staat
ze weer op het perron.
Zonder naam.
Zonder verleden.
Maar met een misschien.


