De paarden van het oude landhuis krabben in het

gras terwijl de dokter zijn vaderlijk boek opent:

een lijst met namen van kinderen die verdwenen

na de Duitse bezetting. De kerkklok slaat twaalf

keer, maar de zon schijnt nooit.

In de winter van 1937, de stad Alost blijft stil,

want elke dag dat de grens tussen Vlaanderen en

Wallonië dreigt te barsten, zakt een nieuwe

school af. De wet verbiedt het gebruik van het

dialect in openbare plekken. Kinderen worden

opgepakt voor een gesproken woord.

Bij een instorting in de oude steengroeve van

Houdain, de dokter vindt een ingang versierd met

wachttorens van drie bomen die nooit groeien.

Binnen, een ruimte waar geen muren zijn, alleen

een vloer van grijze stenen die ademen. Een

tafel staat vol met flessen waarop geen

etiketten zitten. Eén fles bevat water dat bloed

rood is.

Hij drinkt het. De wereld stopt. De zon houdt op.

Zijn hand rust op een kist met een naam: Léon.

Zes jaar oud. Verdwenen bij de massale

deportatie van jonge Vlaamse kinderen naar de

werkkringen van OostEuropa.

In die kamer, het is altijd december. Het geluid

van een kind dat huilt komt uit de muur. Hij

duwt tegen de steen. Die beweegt. Er komt een

man uit. Zijn gezicht is niet van 1937. Het is

van 1946. Zijn stem komt uit een hoorn van

gerookt leer. “Je moest niet komen.”

De regel: wie één glas drinkt, blijft hangen.

Wie de kist opent, verliest zijn herinnering aan

het moment voordat hij aankwam. De dokter weet

nu: hij heeft zichzelf hier al honderd keer

bevonden. Elke keer zonder haar zoon.

Hij breekt de kist open. De lucht verandert. De

zon schijnt. De kinderen van de school krijsen

in hun talen. Maar de kist is leeg. Alleen een

briefje: “Mama, ik was bang.”

Hij draait zich om. De ingang is verdwenen. De

grond trilt. In de verte schreeuwen mensen. In

de hoofdstad, op het plein, is een brand

gesticht. Een standbeeld van een vrouw met een

kroon wordt afgerukt. De jongen is niet hier.

Maar hij is ook nergens.

De dokter rent naar buiten. De kerkklok gaat

weer. Twintig uur. De zon zakt achter de heuvels.

Geen kind meer huilt. Alleen het gebrom van een

motor. Een vrachtwagen rijdt langzaam langs de

weg. Op de laadvulling: dozen met

identiteitskaarten van kinderen. Allemaal met

een rode stip.

Hij loopt terug naar het huis. Zonder te denken.

Zonder te kijken. De boeken staan nog op de

plank. Zijn vaderlijke boek is leeg. Maar op het

laatste blad, geschreven in de kracht van zijn

hand: “Zon in de kelder. Mijn zoon leeft. Ik ben

hem kwijt.”

De kerkklok stopt.

Niemand hoort het.

Maar de zon blijft in de kelder.