De wind van 1935 zegt niets over de stad die

niet meer bestaat. De muren van het voormalige

weeshuis in de Hoge Ardennen staan nog, maar de

ramen zijn vervangen door gaten waar de winter

binnendringt. Een penseel krast op een plank,

achter de voordeur die nooit werd afgesloten.

De kunstenaar maudit, JeanLuc, schildert zonder

palet. Zijn verf is as van brandende kerkboeken.

Hij werkt in de schaduw van een oorlog die nog

niet begonnen is, maar al vreet aan de straten

van Luik en Namen. In deze tijd tussen de twee

oorlogen, is elke handtekening een misdaad. De

Duitse taal is verboden in openbare plekken; het

spreekwoord "je mag niet lachen in een andere

taal" staat als bevel op een muur in de

hoofdstraat van Charleroi.

Op een avond, bij een zware mist die geen weg

verschaft, komt een vrouw naar hem toe. Haar

mond is dichtgeplakt met een vod van een

katholieke missaal. Ze houdt een bloedvlek in

haar hand, die later blijkt te zijn afkomstig

van een jonge leerling uit de school van de kerk.

De kerk neemt geen rekening met de wet: zij

richt justitie zelf, via zwijgen,

verstikkingsgevaar en de verbranding van

documenten.

JeanLuc wordt gearresteerd voor doodslag. Maar

de echtgenoot van de vrouw – een man die geen

naam heeft, alleen een functie: “rechter van het

stilzwijgen” – laat hem vrij. Niet uit genade.

Uit angst. Want de schilder heeft iets gezien:

een tekening van een geest die draagt wat het

OostVlaams nooit zal vergeten.

Hij toont het werk in een donkere zaal. Het

beeld is geen mens. Het is een kind met een

schouder van aarde, en in zijn hand een pen die

krast op een muur die geen betekenis heeft.

Iedereen in de zaal huivert. Niemand durft het

uitleggen. Maar de regen slaat binnen. En op het

moment dat de eerste druppel op de tekening valt,

barst het plafond.

De schilder wist het allang: de wereld had zich

veranderd. Toen de vlaggen werden gewijzigd,

toen de schoolsystemen van één taal naar de

andere overstapten, was er geen terugweg. Wat

men nu ziet, is geen realiteit. Het is een

herinnering die iedereen leeft, maar niemand kan

uitspreken.

De volgende ochtend is de tekening verdwenen.

JeanLuc is nergens te vinden. Alleen een stukje

as ligt op de grond, gevormd als een schaduw.

En in een klein dorp in de Vlaamse Ardennen,

waar de mist nooit opgaat, begint een nieuw kind

te tekenen. Met een pensel van houtsnede. En een

lippenstift van as.