1935, het zuidelijk gedeelte van de Ardennen. De
lucht hangt zwaar boven de oude steengroeve bij
Maredsous. Een jonge vrouw met vingers vol olie
en ongekruiste haren trekt haar laatste
schilderij af: een vogel die uit een
vuurwerkflits oprijst, vleugels gescheurd, ogen
vol blauw vuur. Ze laat het aan een handelaar in
Luik achter, zonder naam, zonder signatuur.
Drie dagen later wordt het in een
tentoonstelling in Brussel getoond. Iedereen
zegt dat het leeft. Niet in beeld — maar in
gevoel. Mensen voelen een druk op de borst als
ze ernaar kijken. Sommigen huiveren. Een krant
noemt het ‘fantasie sombre’; een critici
schreeuwt: ‘Dit is geen kunst, dit is een
waarschuwing.’
De artiest, een man met een gebroken linkeroog
en een roestig pak, ziet het niet. Hij staat al
drie maanden in de verte, op de grens van een
land dat geen taal meer heeft. Zijn werk werd
ondergedompeld in het publiek, en nu worden er
brieven gestuurd naar zijn oudste woning in Lier.
Brieven die hij niet leest. Alleen één brief
blijft liggen: ‘Je hebt hen gewekt. Ze komen
voor je.’
Het verkeer in Brussel verstomt op 22 oktober.
Op straat stilstaande taxi’s, mensen staan
midden op de stoep alsof ze worden getild. In
een kelder in SintGillis brandt een olievlek in
de vorm van een vogel. Het vuur verspreidt geen
hitte. Wel een geur van verbrande noten en
ratten. Niemand kan het doven.
De kunstenaar vindt de brief pas na vier weken.
De handtekening is van een vrouw die hij nooit
heeft gekend. Maar haar handschrift herkent hij:
het is hetzelfde als op het eerste schilderij
dat hij ooit maakte, op een dag toen hij nog
geloofde dat kleuren kon denken.
Hij gaat terug naar de groeve. De aarde daar is
los. Tijdens het graven voelt hij iets knappen.
Niet onder zijn hand — in zijn hoofd. Een flits:
kinderen in een schoolje van 1916, hun gezichten
vlammen op in het donker. Geen geschreeuw.
Alleen stilte. En de vogel, altijd de vogel.
Hij trekt een nieuwe tekening op de muur van de
groeve. Deze keer is de vogel dood. De vleugels
hangen. Het vuur is uit.
Op 28 oktober valt het eerste regenwater in de
Ardennen. Het druist langs de kliffen. Het
vloeit door de oude spoorlijnen. Overal waar het
komt, verdwijnt het graf van een soldaat uit de
Eerste Wereldoorlog. Niemand weet hoe. Maar
iedereen ziet het.
In Luik wordt de tentoonstelling gesloten. De
handelaar zegt niets. Hij heeft geen stem meer.
Hij zit in een hoek van zijn winkel, met een
hand op zijn mond, en kijkt naar een schilderij
dat nooit is afgegeven.
De artiest blijft in de groeve. Nog steeds geen
woord. Maar als de zon opkomt, laat hij de wand
afknippen. Wat eronder ligt, is geen stenen. Het
is een bos van vormen. Alle vormen die hij ooit
heeft geschilderd. Nu levend. Nu rustig.
Eén figuur beweegt. De vogel. Maar hij vliegt
niet. Hij kruist de muur, dan blijft hij
stilstaan. Met een vleugel op de grond.
De wereld blijft draaien. Maar in de Ardennen is
het stil. Als of het had gewacht.
Als of het wist.


