Na de oorlog ligt het land in puin, maar de

kolenmijnen van de Ardennen blijven branden —

niet van aardolie, maar van zielenergie. De

streek heeft zich veranderd: iedere dood die in

het donker plaatsvindt, laat een vonk achter die

opnieuw kan worden gevoed. Het is geen legende,

maar een wet: de overledenen kunnen terugkeren

als energiezuiver, voor een prijs.

Hij was een gewone man, vroeger. Nu heet hij

‘Nul’ bij de ondergrondse netwerken. Een

mercenaire solitaire, zonder naam, zonder

vaderland. Zijn taak: de doden verzamelen, hun

ziel uitpluizen, en doorgeven aan de fabrieken

in Luik. Maar zijn eigen leven is al lang een

dubbele lijn: in de ochtend werkt hij als

technicus bij de reclassering, met een paspoort

vol valse gegevens; in de nacht doet hij het

werk dat niemand wil.

Toen de eerste keer een vrouw uit de buurt in de

schacht verdween, hoorde hij haar stem in zijn

hoofd. Niet in herinnering — in echte tijd. Ze

fluisterde: “Laat me niet staan.” Hij wist toen

dat de regel kapotging: je mag niet vóór de dood

sparen. Maar het was al te laat. Hij had haar

teruggehaald. En zij was niet gestorven — ze was

gebroken.

Nu komt ze elke nacht naar hem toe. Haar hand is

koud, haar mond bloeddoorlopen. Ze vraagt niks.

Alleen dat hij haar laat rusten. Maar als hij

haar nee zegt, verdwijnt ze naar de fabriek. Als

hij ja zegt, blijft ze. En elk moment dat ze bij

hem is, kost het één dag van zijn leven.

De regel is duidelijk: geen emotionele banden.

Geen compromissen. Maar de stad is groot, de

nachten donker, en de zielenergie is dringend

nodig voor de nieuwe elektriciteitscentrales. In

de oude stadshuis van Namen, waar de bevolking

nu op blikken staat, moet een nieuw contract

worden gesloten. Het pacte faustien: een jaar

leven voor de ziel van een onschuldige.

Hij weet dat er een kind is dat binnen vier

dagen moet sterven. Het is een kleine jongen uit

de gemeente. Zijn moeder heeft hem gevonden in

de muren van een kapotte school. Hij houdt van

schilderijen. Van kleuren.

Die avond brengt hij de jongen naar de schacht.

Geen woorden. Alleen een knipperlichtje in zijn

ogen. De regel is vast: het kind mag niet

vrijwillig. Maar de wereld is veranderd. De wet

is gebroken. De zielenergie is al gekocht. De

kinderziel is ingeschreven.

Hij kiest. Niet voor de fabriek. Niet voor de

dood. Voor de glauque stilte achter de muur. Hij

haalt de knop om. De schacht sluit. De jongen

leeft. De energie valt weg. In de stad gaat het

licht uit. Overal.

Maar in zijn huis, in de hoek van de kamer, zit

een klein meisje op een stoel. Ze kijkt hem aan.

Haar hand grijpt de zijne.

Het licht is terug. Maar het is niet hetzelfde.