De stad blijft slapen onder een regen die nooit
ophoudt. De muren van het oude kerkhof in
Oudenaarde zijn doorweekt, maar geen enkele
steen is gevuld met as. Alleen de klokkentoren
staat nog overeind, gebouwd op een laag van
gestolen eeuwen.
De priesterdefroqué draagt een jas zonder naam,
zijn handen zitten vol grijze zandkorrels die
niet uit zijn huid komen. Hij komt terug na
twintig jaar stilte. Zijn voeten houden geen
maat meer, want de straten zijn veranderd: de
kruisen zijn gesmolten, de kerkraad is opgeheven,
en de taal is een spiegel die geen glans meer
geeft.
Hij werkt voor niemand. Niemand zoekt hem. Maar
de grond fluistert.
Eén nacht, onder een licht dat nooit echt is,
schuift een leemveld open als een mond. Een kind
lag erin, tien jaar geleden, zonder adem, met
een zware zandmuil. De dossiers zijn weg. De
omstandigheden? Niet vastgelegd. Het bestuur had
bevolen: geen registratie van ‘zwarte zondes’.
Geen documenten over wat in de grond verdwijnt.
Hij begint te graven.
Na drie dagen brengt hij een boek naar de
overblijvende kapel. Het is geen bijbel. Het is
een lijst. Namen. Doodsoorzaken. Stempels in het
zwart. De laatste was ‘onbevredigend’. Dat was
zijn eigen naam.
Toen de eerste steen brak, sprong de aarde op.
De wortels rukten de grond los. Twee uur lang
hoorden de buren hoe iets in de aarde zong — een
klacht zonder stem.
Hij duwt het boek in de bodem. Niet om te
begraven. Om te laten blijven.
De volgende ochtend ligt de zon op de muur. Geen
regen. De aarde is weer stil. Maar de kerk heeft
een nieuw raam. Het glas is gevuld met zand. En
in de zijkant, als een herinnering die zichzelf
negeert, staan twee woorden: Ik ben terug.
Het is geen verlossing. Het is een belofte.
De grond heeft gehoord. De aarde houdt nu alles
vast. En de priester? Hij loopt verder, zonder
jas, zonder naam, zonder hoop. Maar hij voelt
het: de zonde is niet verdwenen. Ze is geworden
tot een ander leven.


