De stad lag stil onder een leeg hemelgewelf. In
de herfst van 1943 stopte de elektriciteit in
Brussel, niet door oorlog, maar omdat de aarde
zich had teruggetrokken — haar kern was verzwakt,
haar adem ingehouden. De straten werden
doorgangswegen voor duisternis. Licht kon niet
meer door de bodem heen; de lampen brandden,
maar verspreidden geen glans.
Een meisje van twintig, in een oud jas met een
gescheurde mouw, liep met een tas vol vellen
papier langs de oude spoorlijn. Haar naam was
Léa, en zij was een studente in fuite. Ze had
geheimgehouden dat ze sinds maart elke avond een
brief schreef aan een man in de Wallonië, een
arbeider bij de steenkolenmijnen van Bouillon.
Zij woonde in een Franse wijk, hij in een
Vlaamse gemeente. Hun brieven moesten via
tussenpersonen, want de staat had een wet
ingesteld: iedere overtocht tussen
taalgemeenschappen zonder vergunning werd gezien
als een nationale bedreiging.
De regering liet nooit duidelijk zijn reden,
maar het woord ‘vergiftingszone’ begon in de
kranten te verschijnen. Mensen die te lang in
een ander gebied bleven, ontwaakten in hun slaap
met ogen die niets meer zagen. Hun geest bleef
bewust, maar hun lichaam was vastgelopen in het
donker.
Léa besloot terug te keren naar haar
geboorteplaats, een dorpsje aan de rand van het
Ardense bos. Niet om veiligheid, maar om de plek
te vinden waar de aarde nog ademde. De oude weg
naar Herve was afgesloten, maar de mensen in de
bergen hadden een andere weg gevonden: door de
kerk van SaintGermain te passeren, waar de
pijler uit de negentiende eeuw al zong, zelfs
als er niemand was.
Op de tweede nacht van haar tocht, bij het einde
van de bosweg, zag ze iets: een ster die
oplichtte boven een graf. Geen licht, maar een
trilling. Het voelde alsof de lucht knipperde.
Ze voelde de brief in haar zak gloeien. Ze las
hem opnieuw — de laatste zin: “Als je dit leest,
ben ik al dood, maar mijn hart is in jou.”
Toen brak de stilte. Een jongen kwam uit de
boomkruinen, zwart gekleed, zijn ogen wit. Hij
reikte haar een hand. Zijn stem was geen geluid,
maar een druk in de schedel. “Je mag hier niet
blijven,” zei het. “Maar je moet gaan.”
Ze liep verder. De nacht bleef. Maar nu, op een
klein plekje achter een ruïne, groeide een bloem
uit de as. Wit. Geen zon, geen wind. Alleen het
gevoel van iets wat nooit was gestorven.
Het was het eerste licht dat sinds 1942 weer op
de grond viel.


