In de winter van 1932, tussen de oorlogsnood en
de stijgende spanning in de Belgische Zuidelijke
Vlaamse streek, begint de zachte maar harde
herstructurering van het gewone leven. Het
elektriciteitsnet werkt nu op een nieuw systeem:
elke huishouding is gekoppeld aan een centrale
stroomgenerator in de haven van Antwerpen, maar
de draden die er vandaan komen, hebben geen
voorschrift. Ze volgen niet de kaart — ze volgen
de wind.
In een dorpje bij de Dyle, waar het spoor al
lang dood was, woonde een vrouw met een naam die
niemand meer durfde uitspreken: Eline. Haar
kamer lag boven een winkeltje dat nooit meer
openstond. In de nacht van 8 december, toen de
stroom plotseling wegviel voor alle drieëndertig
huizen, zag de laatste bewaker van de brug over
de Lys haar rok langs de muur glijden, alsof de
duisternis haar had opgegeten.
Toen de lampen terugkwamen, waren de dingen
veranderd. Het water in de fontein stond in
brand. De kinderen die in hun slaap hadden
gejankt, wezen naar de hemel waar geen sterren
waren. En op de vloer van de schoolzaal, waar de
leerlingen een lied hadden gezongen, stond een
vuurvogel te schrijven in de aarde met zijn
klauw.
De oudere mensen zeiden niets. Ze stonden stil,
als bevroren. De jongeren begonnen te schreeuwen
dat er een heks was. Maar de regels waren anders
nu. De wet van de stroming was veranderd: wie
iets aanraakte wat niet thuis hoort, werd zelfs
buiten de wet. Geen proces, geen straf — alleen
de stilte van het bloed dat onder de planken
sijpelde.
Eline had al jaren geen woord gesproken. Maar
die nacht, terwijl de hele gemeenschap luisterde
naar de wind in de schoorstenen, hoorde iemand
haar fluisteren: “Ik ben niet verdwenen. Ik ben
veranderd.”
Binnen vier uur was de vervoerder van het
netwerk dood gevonden in zijn kelder. Zijn
handen waren versmolten met de draad. Niemand
kon de telefoon bellen. Niemand mocht de deur
uit.
Op de ochtend van 9 december verscheen er een
nieuwe lijst aan de poort van de kerk. Twee
namen: één voor de doden, één voor de levenden.
Eline’s naam stond niet op de lijst.
Maar iedereen wist dat ze nog leefde.
En in elk huis, op elk raam, glansde een flauwe
gloed. Alsof de nacht zich had laten ophangen
aan de muur.


