1932, de Oude Zijde bij Bouillon – het kasteel

van de Van Houten zit vol met het geruis van

machinegaren en het knetteren van elektrische

lampen, maar de muren houden geen geheim meer.

De winter is lang, de stoomwalsing staat stil,

en de familie laat zich voeden door oude

feestdagen. Een vrouw arriveert op een middag

met een tas van leer, geen brief, geen naam. Ze

wordt ontvangen als ‘de gouvernante’, maar haar

papieren zijn gescheurd, haar paspoort afgebrand

in een vlammetje in de keuken.

Zij heet niet wat ze zegt. Haar stem is zacht,

net boven het ruisen van de regen. De kinderen

beginnen dingen te vergeten: hun moeders lach,

het liedje dat haar vader zong, hoe de

aardappelen werden gekookt op de vuurplaats. Het

is geen ziekte. Het is geen beeld. Het is een

ontbrekend gebaar – alsof iemand heeft gewist

wat je wist zonder je te vragen.

De oude pater van het huis, een man die tot 1918

in het Franse leger had gestaan, weet plots niet

meer waar hij de schouwsteen heeft gezet. Hij

loopt rond met een zakdoek in zijn hand, tastend

naar een herinnering die verdwenen is sinds de

dag dat de vrouw binnenkwam. Toen werd het raam

in de zitkamer binnengezegeld met een grijze

zijden doek – een wet, geen decoratie. Geen ziel

mag het venster openen.

In de nacht van 14 november, tijdens de

kerstavondmarkt in de stad, begint de regen te

vallen in de vorm van glazen kruisjes. Ze vallen

uit de hemel, scherp als de tanden van een oude

belofte. Iemand in het dorp zegt dat dit het

einde van de slechte eeuw is. Maar de mensen

horen het niet. Ze herinneren zich niet meer

waarom ze bang waren.

Op de ochtend na de storm, ligt de gouvernante

in haar kamer, alleen. De kinderen staan in de

hal, zwijgend, hun handen op hun ogen. Hun mond

beweegt, maar geen woord komt eruit. Ze hebben

het hele verhaal van hun moeder verloren – hoe

ze overleefde, hoe ze was gestorven, hoe ze

nooit is teruggekeerd. Niets. Alleen een foto in

een lederen lijstje, nu leeg.

De vrouw in de rijst – zo noemt de jongste zoon

haar in gedachten, omdat haar handen altijd in

het water blijven, alsof ze rijst opnieuw

bereidt – vertrekt op een sneeuwige ochtend.

Haar tas is gevuld met witte zandkorrels, één

voor elk kind. Ze stapt in een oude auto, zonder

motor. De wielen kraken, maar bewegen niet. De

auto staat nog op dezelfde plek als een week

later, en de kinderen herinneren zich niets van

haar.

Maar in de tuin, waar de appelbomen vroeger

bloeiden, groeit nu een wijnstok zonder vrucht.

En elke avond, als de wind uit het noorden komt,

hoort men een fluitje – een melodie die nooit is

gezongen, maar die iedereen in het dorp toch

herkent.