1927. De kelders van het Stadsarchief in Brussel

worden gevuld met het gewicht van verloren talen:

Flandriens en Wallons, gesproken met haat of

afkeer, nu verdrongen onder de betonvloeren van

een moderne samenleving die geen plaats heeft

voor herinnering. De wereld werkt anders:

woorden zijn gevaarlijk. Woorden kunnen

verbranden.

Een vrouw in een donkere mantel – haar naam

wordt nooit genoemd – verschijnt bij de ingang

van de archiefkelder tijdens een storm. Haar

handen houden een oud boek dat geen tekst bevat,

maar lucht trilt rondom het leer. Ze leest niet.

Ze wekt.

Tijdens de volgende drie nachten, onder zware

mist die niet verdwijnt na zonsopgang,

verdwijnen drie mensen uit de Vlaamse Kerkraad.

Hun lichamen worden gevonden op de stoep van de

Grote Markt, elk met een bloem in de mond – een

bloem die alleen groeit in de Ardennen. Geen

sporen. Geen getuigen. Maar op elke plek is een

tekentje gekerfd in de stenen: een vleermuis met

drie ogen.

Het publiek zegt niets. De politie zwijgt. De

Vlaamse krant schrijft: ‘Achtervolging door arme

drommels.’ De Franse krant noemt het ‘een

dramatische ongevalletjes’. De wet zegt: geen

openbare discussie over taal. Geen kritiek op de

nieuwe ordening. Wie spreekt, raakt gedwongen

tot stilte.

Op de vierde nacht valt de vrouw in het museum

van de Antwerpsche Sieraden. Zij neemt een ring

uit de vitrine – een eeuwenoude ring met een

vleermuisgezicht. Als ze hem aansteekt, begint

de muur achter haar te ademen. Het zuidelijke

gedeelte van het gebouw – ooit de centrale

koepel van de Belgische technologische ambitie –

begint zich te vervormen. Muren worden plooien

van vlees. Glazen breken naar binnen. Iedereen

die er binnen is, hoort een stem die geen

Nederlandse taal gebruikt.

Op de vijfde dag wordt de politie gearresteerd.

Niet omdat ze fouten maakten. Omdat hun ogen

plotseling hetzelfde kleur hadden als de

vleermuis.

De vrouw gaat naar de kerk van SaintGéry. Ze

laat het boek vallen. Het opent zich op een

bladzijde die nooit bestond. Op de muur

verschijnt een lijst van namen – alle mensen die

sinds 1918 in het archief verdwenen zijn, met

een datum, een taal, een doodsoorzaak. Allemaal

getekend met een vleermuis.

Toen ze haar hand uitstrekte om het boek te

sluiten, brak de klok van de kerk. Nog geen

tweede later was de stad stil. Geen geschreeuw.

Geen motor. Alleen de mist, dikker dan ooit. En

een geur van bloed en rozemarijn.

De volgende ochtend: niemand weet hoeveel dagen

er verlopen zijn. De kerk staat nog, maar de

toren is verdwenen. In de grond van de

kerkgracht groeit een boom die geen bladeren

heeft, maar vleermuizen die in het blad rusten.

Niemand spreekt meer. Maar iedereen hoort het.

En soms, bij zonsondergang, ziet men een figuur

in een zwarte mantel langs de Grote Markt lopen.

Ze draagt een ring. Haar ogen branden.

De stad heeft haar taal terug.

Maar zij heeft haar ziel laten liggen.