De binnentrap van het kantoorgebouw aan de

Koning Albertlaan blijft donker na de laatste

elektrische knip. Boven de liftschacht hing

vroeger een portret van de stichter – nu is het

alleen een zwarte plek op de muur. In 1952 werd

dit gebouw afgeleverd als symbool van de nieuwe

orde: kalk, staal, en de belofte van een reinere

voortgang. Maar de betonplaten van de vloeren

hebben één geheim: elke kelderslaap draagt een

bloedspoor van oudere generaties.

Op 13 november 1968, in de regen, kwam de eerste

verdwijning. Een arbeider uit de Achterhoek was

bezig met het repareren van een ondergrondse

leiding. Zijn werkvest bleef achter in de loods.

Het lichaam werd gevonden twee dagen later, in

een gietijzeren put, met de handen gekruist over

de borst – net zoals op de oude grafstenen bij

SintTruiden. Geen sporen. Geen spreekwoordelijke

herinnering. Alleen een witte kaartje met het

nummer ‘4’ op de borst.

Het begin van het nieuwe jaar brak door in een

nieuw patroon. Iedere vierde dinsdag werd er een

man uit de kantoorhierarchie verdwenen. Ze

werden altijd gevonden op dezelfde manier: in

een ruimte zonder ramen, met een klein vuur dat

brandde in een smalle koker, en een stukje vilt

op de grond waarop iemand had geschreven: Vader

is niet dood. De bewakers zwegen. De directeuren

haalden hun schouders op. Niemand durfde vragen

naar de oude toestand van het gebouw.

Een vrouw uit de boekhouding, met een gezicht

dat niet glimlachte, ontdekte de werking van de

regels. Bij het opruimen van een verlaten kelder

trof ze een kluis met twaalf dozen vol foto’s

van mannen in uniform, maar zonder namen. Elke

foto had een datum in de rechterbovenhoek: 1918,

1920, 1924… en dan: 1950, 1954, 1958. En telkens

hetzelfde symbool in de hoek: een vierkant met

een kruis erin. Toen ze de twaalfde doos

openmaakte, lag er geen foto. Alleen een leeg

houten frame. En een handschrift op de bodem:

Hij is de laatste.

De nacht van 17 december 1969, toen de stad

verstomde onder een laag sneeuw, kwam de hoogste

plicht. De directeur van Hommes – een man in een

grauwe jas, met een stem alsof hij nooit heeft

gehuild – liep naar de centrale schakelkast. Hij

drukte op een knop. De lichten gingen uit. Uit

de wanden begonnen geluiden te komen: geklik,

gestamel, een oude klok die opnieuw begon te

tikken. De kelderverdieping begon te trillen.

Een gouden lucht in de gang. En dan: een

schreeuw. Niet van angst. Van herkenning.

Toen de politie binnenstormde, vond men de

directeur op de vloer, zijn keel gesneden, met

een mes tussen de vingers. Op zijn lippen: een

halfuitgesproken woord. Op de muur achter hem,

verschenen in rode verf: Ik ben de vierde

grootvader. De anderen waren al lang weg. Nu was

de reeks voltooid.

De woning aan de Léopoldstraat werd leeggeraamd.

De kachel in de huiskamer stond op z’n hoogst.

Buiten waaide een wind die nooit eerder was

geweest. De zon ging op zonder licht. En in de

tuin, waar vroeger een boom stond, groeide nu

een kleine rots. Met een naam erop, in kleine

letters: Hij heeft gewacht.

De stad zag niets. De dossiers verdwenen. De

kantoren bleven open. Maar in elke

gemeentekantoor, op elk bureaublad, lag een

viltje met het cijfer ‘4’. Geen brief. Geen

telefoon. Alleen de stilte. En het gevoel dat

iets onherroepelijk was veranderd.

Nu is de melancolie niet meer een gevoel. Het is

een mechaniek.

En het blijft werken.