1937, Lier. De klokken zwijgen niet meer. In
plaats daarvan ronkt elke avond een elektrische
zucht door de straten, voortgebracht door de
kolossale ‘Aardstroomenergiecentrale’ die de
hele regio voedt. Deze centrale werkt niet op
kolen of olie, maar op de onzichtbare krachten
van de menselijke geest: angst, herinnering,
taal. Zonder een spoor van leiding, zonder
brandstof, alleen via de gelaatsuitdrukkingen
van mensen die zich voor de machines stellen.
Het is wetenschap, maar ook cultus.
Een oudere vrouw, MarieLouise Vandenbroucke,
leeft in een boerderij aan de rand van de
Ardennen. Haar hoofd is vol spraak, maar ze
fluistert nooit meer. Sinds 1918, toen haar man
in het slagveld verdween en niemand zijn naam
kon uitspreken in de taal van hun dorp, is zij
de laatste die nog fluisterend het Walloon kan
spreken. Haar taal is geen gewoon dialect: het
is een schakelaar. Een woord dat bij een
bepaalde klank de energiecentrale aanzet.
Zonder haar houdt de stad stilstaan. Alleen haar
stem doet de machines ademen.
In 1937 wordt haar erfgoed gestolen. De brieven,
de kist met gedichten, het gesproken liedje van
haar moeder — alles verdwijnt in de nacht. Geen
sporen, geen politie. Maar de centrale valt stil.
Dagenlang. Geen stroom. Geen zucht. De stad
begint te verzwijgen. Mensen beginnen te huilen
zonder reden. Kinderen houden plotseling hun
handen tegen hun mond.
MarieLouise vindt de kist terug in een steeg
onder de brug van Halle. Ze weet wie het heeft
gedaan: een jonge ingenieur uit Gent, lid van de
‘Studiekring voor Geestelijk Energie’, die denkt
dat taal een fout is, dat emoties moeten worden
afgeschaafd. Hij heeft de kist vernietigd. Nee,
niet vernietigd. Hij heeft hem opgesplitst.
Ieder woord in een aparte kristalplaat.
Ze gaat niet naar de politie. Ze gaat naar de
centrale. Niet om protest, maar om herstel.
Ze blijft staan voor de grootste machine, de
‘Klankkern’. Ze roept het eerste woord dat haar
moeder ooit leerde: “Mour”.
Het duurt drie seconden. Dan barst de centrale
open. Licht schiet door de muur. De machines
snikken. De stad trilt. En op dat moment, op elk
scherm in de stad, verschijnt een beeld: een
kind dat met ingehouden tranen een taal zegt die
niemand meer kent.
De centrale herstelt. Maar MarieLouise is
verdwenen. Niemand ziet haar meer.
Eén jaar later, in een kleine school in Mouscron,
zegt een jonge leerling het woord “Mour” uit
zijn hoofd. Zijn juf verstijft. Ze weet niet
waarom. Ze voelt iets.
En in de Ardennen, op een plek waar de grond
nooit is beschilderd, groeit een boom die niet
bloeit. Alleen het blad fluistert.


