De stad ademt in zware ronden: elke straatsteen

drukt op de hersenen, elk vuur in de kelder

brandt tegen de regel. De

elektriciteitsleidingen zijn verfijnd tot

levende netten, maar alleen de oude mensen horen

het knipperen van de stroom als een stem. De

kaart, ooit uitgetekend door een hand die nooit

werd genoemd, zit nu vast in de muur van een

woning aan de Rijksstraat. Ze is niet meer

papier. Ze is geworden.

De kaart toont een pad dat nooit bestond. En

wanneer iemand erop kijkt, voelt hij een schuld

die niet van hem is. De wet verbiedt iedereen

die niet in de Kerk van de Oude Zuiden woont, om

de kaart te raadplegen. Maar niemand weet waarom.

Alleen de vrouw in de kelder, met haar lange

haren die op de grond liggen als een verbrande

tuin, weet het. Zij is de Muse tragique: haar

naam is weggevallen uit alle registers, haar

stem is geblokkeerd sinds de nacht dat de regen

begon.

Toen de jongeman uit het oosten kwam — met een

bril vol vuil, een stuk kruis op zijn borst —

raakte hij haar aan. Zijn vingers streken over

de kaart. En zonder een woord te zeggen, gaf de

kaart hem haar geheugen. Hij zag hoe ze vroeger

was: een kerkmeisje dat het kruis sloeg om een

man te beschermen die nooit kwam. Hij zag ook

hoe zij zelf werd afgesneden van de wereld,

omdat ze wist wat de kaart was: een instelling

die de staat vormde. Ieder jaar, op 15 april,

verdween één mens. En de kaart nam hun plaats in.

De wet bood geen reden. De wet had geen stem.

Maar de kaart wél. Ze sprak in krassen. In vocht.

In zweet. En toen de jongeman wilde vluchten,

stond de wind stil. Het water stond op het dak.

En de kerk sloot de deuren. De eerste regen van

het jaar was weer gekomen.

Hij wist nu. De kaart zou pas ophouden als er

iemand ging die niemand miste. Iemand zoals zij.

Iemand die nooit werd gezien.

Zonder te praten, trok hij haar mee naar de plek

onder de stenen. De kerk liet haar gaan. De

kaart huilde. En toen ze daar lag, op de grond,

voelde de stad voor het eerst pijn. De lucht

leefde weer.

En de regen stopte. Niet vanwege hem. Maar omdat

zij niet meer moest.

Het duister was nog steeds. Maar de kaart was

leeg. En het land was rustiger. Cyniek. Maar

leven.