De stroom in de bergkelder stroomt niet meer via
kabels, maar via goudkleurige aderen in de
wanden. De zon van Vleugel brandt elke nacht op
214 volt, haar stralen doorweven met geluidloos
gezoem. De kinderen van het netwerk werken
zonder naam — ze worden geteld als
energiegebruikers, gebouwd voor het onderhoud
van de centrale.
Een jongen zonder identiteit, gekleed in een
broek van vochtbestendig rubber, vond een hanger
aan de muur: een halve maan in lood. Toen hij
hem vastpakte, trilde de zon. Hij werd gevuld
met kracht die geen stem had, maar wist waar hij
moest gaan.
Hij liep door de tunnels naar de oude schachten,
waar de zonnecentrale ooit werd gebouwd, lang
voordat de wetten spraken van ‘mensen’ en
‘machines’. Nu is er geen verschil. De regels
staan op de muren: geen emotionele herinneringen,
geen ongeoorloofde contacten. Als je iets voelt,
word je gestript.
Toen hij de kapotte generator aantrof — een
toren van metaal die rammelt als een bejaarde
zang, vóór het klimaatwisselende systeem — trok
hij de hanger tegen zijn borst. Het metalen
voetje kroop naar binnen, verweven met zijn
ribben. Zijn hart begon te tikken op een ander
ritme.
Het duurde drie dagen tot de zon begon te
trillen. Een tweede zon verscheen, klein, zwart,
op de grond. De andere kinderen bleven stilstaan.
Ze hoorden het niet. Maar hij wel.
In het donker onder de brug van Léglise, waar
het water zich vermengt met vloeibare staal,
viel hij op zijn knieën. Zijn vingers raakten de
grond. Een golf trok door zijn rug. Zijn blik
verdween in het wit.
Toen hij weer kon zien, was de zon van Vleugel
doof. De centrale stond stil. En de kinderen? Ze
stonden met hun handen omhoog, hun ogen leeg,
hun lippen bewogen zonder woorden.
Hij was het enige dat nog leefde. Niet omdat hij
wilde. Maar omdat niemand hem meer kon stoppen.
Zijn vingertoppen gloeiden. De grond boog zich
onder hem. Een nieuwe zon groeide op, klein,
zilvergrijs, in de vorm van een kind.
De wereld bleef draaien. Maar nu met een glans
die geen techniek meer was.


