In de vallei van de Dyle, waar de oude
steengroeve van Beringen in 1932 werd gesloten
door een staatsbesluit, begint het grondwater
zich te verzetten. De bodem trekt zich terug in
nachtelijke trillingen, alsof de aarde haar adem
inhoudt.
Het jaar is 1938. De stoommachines in de
zuidelijke mijnbouwzone worden stilgelegd, niet
door tekort aan kolen, maar door een
onverklaarbare elektrische druk in de ondergrond
die de machines opbrandt. Zonder waarschuwing
houden alle horloges in het zuiden van
Vlaanderen op. Geen tik, geen gezoem. Alleen
stilte.
Een jonge man uit Gent, een sympathisant van de
radicale werkkring Hommes, wordt gearresteerd
bij een demonstratie tegen de Nieuwe Mijnwet.
Hij weigert zijn naam te geven. Zijn identiteit
wordt gewist: geen legitimatie, geen spoor. Maar
in zijn zak, onder een broekzak met de kleur van
vuil zwart, zit een metalen sleutel met een
vreemd patroon.
Hij wordt meegenomen naar het nieuwe
ondergrondse centrum van het Rijk, een
schuilplaats onder het oudste kerkhof van
SintTruiden, waar de lucht zo koud is dat
ademvlekken blijven hangen als grafinscripties.
Daar worden gedachten geregistreerd via een
netwerk van kristallen, gebaseerd op een lang
vergeten wisselwerking tussen geest en gesteente.
De revolutieaire ideaalisten waren al lang dood,
maar hun ideeën leven in de stenen. Een oud
grafmonument in de Ardennen, ooit gewijd aan een
onbekende militair, bewaart een puls die geen
menselijk hart kan volgen. Toen het monument
werd opgegraven in 1935, verdween een hele
arbeiderscommune zonder een spoor. Nu wordt de
klank van die verloren weekdagen herhaald door
de bovenste laag van de ondergrond.
Hij vindt het: een schilderij in een kelder,
gevuld met miniatuurklokken van messing, elke
klok geluidsopnemer voor een ander moment in de
geschiedenis. Een paar van hen tonen een tijd
voordat België bestond. Iemand heeft de klokken
gebouwd om de tijdsafwijking te corrigeren.
Maar de regering noemt het een “verraderlijke
technologie”. Volgens de Wet op de Tijdsorde
(1937), mag geen individu een eigen tijdmatig
referentiekader hebben. De eerste die een
afwijking detecteert, wordt geïsoleerd. De
tweede wordt geëlimineerd.
Hij besluit niet te vluchten. Hij draait één
klok om.
De straten van Gent gaan in duisternis. Het
licht springt in drie seconden terug, maar de
mensen zien elkaar niet meer zoals ze waren. Hun
gezichten vervagen, hun stemmen klinken uit een
andere eeuw. Iemand zegt iets in een dialect dat
niemand meer spreekt.
De klokken beginnen te tikken. Niet in
synchronisatie. In fractie.
Zoals het water in de Dyle, die nu in
tegengestelde richting stroomt, dwars door de
rotslagen heen.
En in het donker, onder de plek waar ooit de
gemeenschap van Hommes stond, knipperen de
laatste lichten. Ze zijn niet uit. Ze zijn weer
terug.
De stad staat stil. Niet omdat er geen tijd meer
is.
Maar omdat iedereen opnieuw leeft.


