De velden rond Stavelot liggen bedolven onder
een laag as, zwaar van de hitte van de
voorjaarsbrand. In een schuur vol roestende
landbouwmachines ligt een kruik opgestapeld met
andere stenen vaten — maar deze heeft geen
etiket, alleen een vlek van paarse modder aan de
binnenkant. Het water erin is vloeibaar, maar
weigert te verdampen.
Voor de tweede keer in tien jaar komt de
kinderjager uit het bos, wier voetafdrukken
nooit in de modder blijven staan. Hij staat
buiten de hekken van de herfstmarkt van
Neufchâteau, waar men handel drijft in oude
munten en spullen uit de oorlog. Zijn naam is
niet genoemd. Hij houdt een zak met witte zand
in zijn hand, dat bij aanraking beweegt alsof
het ademt.
De oudere vrouw in de groene mantel ziet hem
komen. Ze is niet bang. Haar ogen zijn donker
als aardappelgrond. Ze legt haar hand op de
kruik. De lucht om haar heen verstilt. Een klok
in de verte slaat twaalf — hoewel het nog
daglicht is. De regen die nu valt, druipt door
het dak, maar blijft boven de vloer zweven.
De jongen die haar zoon was, had gezegd dat hij
naar Luik wilde. Hij liep met een rugzak vol
lege flessen. Maar toen hij de grens van de
Ardennen overstak, zag hij dat de bomen in de
nacht begonnen te fluisteren. Niet met woorden.
Met knipperende lichtjes in de bladeren. En
daarna: een gouden draad die zich in zijn pols
wond.
Hij keerde terug. Zonder toestemming. Zonder
excuus. Zijn moeder brak de kruik tegen de muur.
De vloeistof spat uit. De muren verschrompelen
tot stof. De stad reageert: straten trekken zich
terug, huizen verdwijnen in het gras. Niemand
zegt iets. Alleen het geluid van ruiten die
kraken zonder wind.
De oude zigeunerin haalt een sleutel uit haar
mouw. Die past op niets. Ze houdt hem vast tot
haar vingers gaan bloeden. Toen ze denkt dat de
tijd is gekomen, doet ze iets verboden: ze maakt
een tekening in de modder. Een pad. Maar het pad
wijst nooit naar het oosten. Altijd naar binnen.
De jongen vindt het in zijn slaap. Hij loopt
uren over een weg die nooit bestaat. Aan het
eind staat een huis. De deur is open. Binnen:
een bord met zijn naam. En een brief. Geen tekst.
Alleen een vlek van dezelfde paarse modder.
Hij werpt het papier in de vuilnisbak. De bak
explodeert. De as vliegt naar de hemel. Daar,
tussen de wolken, ontstaat een ster.
In de ochtend zie je het niet meer. Maar
iedereen die het gezien heeft, weet dat het niet
meer zal verdwijnen.


