De kalkstenen muren van Vichte kraken onder de
winterkou, geen glas in de ramen, alleen lege
voegen. De grond rondom de woning is
opengesneden door wortels die groeien tegen de
wind in, alsof de aarde zich verzet. Een man met
een gebroken penning in zijn jas loopt over de
grijze zandweg, zijn schoenen klinken als
kinderpijn op het ijs. Hij heet JeanPierre, maar
niemand noemt hem meer bij naam.
In de vijftigste dag na zijn thuiskomst, merkt
hij dat de schaduwen zich bewegen zonder licht.
De zon valt niet meer neer op het land; ze
blijft staan boven de boomtoppen, bleek en stil,
alsof het tijd is gestopt. Op het plafond van de
eetzaal verschenen woorden in een oude spelling
– niet Frans, niet Duits, maar iets tussenin dat
pijn doet aan de tong.
Hij treedt binnen de kapel van de hof, waar de
altaarstelling is vervangen door een spiegel die
geen weerspiegeling toont. In plaats daarvan
laat de glans drie gezichten zien: één oud, één
jong, één dat nooit geleefd heeft. De regel is
ongeschreven maar gewaarwordbaar: wie het beeld
aankijkt, moet er één uitkiezen om te worden. De
andere twee verdwijnen.
Zonder te denken, wijst hij naar het jongste
gezicht. De spiegel breekt. De geluiden van de
wereld stokken. Toen het weer begint, is de
hemel blauw – echt blauw – maar de lucht ruikt
naar verbrand woud. Het huis staat nog, maar
alle documenten zijn vernietigd. Alleen een
handgeschreven brief ligt op tafel, getekend met
een pen die nooit bestond: ‘Je hebt ons gevonden.
Nu moet je ons vergeten.’
Hij gooit het papier in de haard. Het vuur
kleurt rood, maar brandt niet. De as zweeft op,
vormt een cirkel, en daarin staat de tekst:
‘Polar belge’.
De volgende ochtend zit hij op de trap. De zon
gaat op, helder en onvermijdelijk. Hij weet niet
of hij hier is om te blijven of om te sterven.
Maar hij kan nu horen wat de bomen zeggen: het
zijn geen woorden, maar herinneringen. En één
van hen fluistert zijn eigen naam.
Niemand komt hem zoeken. Niemand weet dat hij
terug is. De wereld draait verder. Maar Vichte
is niet meer hetzelfde.


