De kerk in LégliselesBois staat nog overeind,
maar het dak is ingezakt. Binnen, de preekstoel
is zwart van rook, de klok hangt los aan één
draad. De lucht ruikt naar natte steen en
verbrand hout. In de schaduw van de kapel zit
een vrouw, haar handen gevouwen op een oude kist.
Haar ogen zijn droog, haar wangen gebroken door
de wind die nooit meer stopt.
Voor haar ligt een lijst met namen. Geen
zilveren ringen, geen kransen. Alleen de woorden
van mensen die nooit meer terugkomen. Ze herkent
ze niet. Maar ze weet dat ze voor hen moest
bidden. En nu bidden ze voor haar.
De regering had besloten dat alle sporen van
‘ongeregeld geheugen’ moesten worden verwijderd.
Na de Tijdzwarte Dageraad — toen de radio’s
stille werden en de lampen niet meer brandden —
had elk dorp moeten aantonen dat het zijn eigen
verleden had gewist. Wie blijft denken, wordt
uitgeworpen. Wie twijfelt, verdwijnt.
Zij was de laatste bewaarder van de Gedenklijst.
De jongste leerling van de Oude School van
Verveling. Zonder school, zonder boek. Alleen de
kist, de naam, de stem van de voorganger die
nooit meer komt.
Toen de troepen kwamen, liet ze de kist open. De
lijst viel op de vloer. Een windvlaag veegde hem
weg. Ze rende achterom, vond hem half onder de
puin, met een gat erin waar een naam was
geschrapt. De naam van haar broer. Die nooit had
bestaan.
Ze stond op. Haar jas was vies, haar voeten
bloedden. De zon begon te klimmen. De lucht werd
zwaar, als olie. In de verte klonk een geluid.
Niet van mens, niet van machine. Van iets wat de
grond trilt.
Ze liep naar de rand van de stad. Wist dat als
ze daar bleef, de vuurwachters haar zouden
vinden. Maar als ze terugkeerde, zou iedereen
weten dat ze had gehandhaafd. Dat de oude
gedachten nog leefden.
In plaats daarvan trok ze de kist naar de muur
van de kerk. Legde de lijst erop. Zette een
lucifer aan. Toen de vlam laag sprong, greep ze
een oud stuk loodwerk uit haar zak. Zoals het
was afgesproken: alles wat niet uitgebrander
werd, moest worden vernietigd. Ook zij.
De vlam slokte de lijst op. Het papier krulde,
zwart werd. De kist barstte open. Binnen lag een
kleiner vel, met één naam: Marie. Haar eigen
naam. Gezien, gelezen, geplaatst — maar nooit
gezien door haar.
Toen de zon haar hoogste punt bereikte, stond de
kerk in vuur. De vlammen vlogen omhoog, schenen
helder in de ochtend. Geen mensen. Geen geluid.
Alleen de stilte van een wereld die niet wilde
onthouden.
En in de as, een zwarte steen. Vormloos.
Onverwoestbaar.


