De klok in de zitkamer van het huis aan de Grote

Markt in Brussel blijft stilstaan op 3:17, net

zoals vijfentwintig jaar geleden. Maar nu is het

niet alleen de klok. De stad heeft zichzelf

ingehouden. Mannen stoppen halverwege hun zin.

Kinderen staan stil in het gras, met een schaap

in hun hand. De lucht houdt haar adem.

Hij was nog geen twintig toen de Oorlog eindigde.

Nu is hij oud, gehuld in een jas van 1942, en

werkt hij als taxidermist in een zaak die nooit

open is geweest. Geen klanten. Geen kassa.

Alleen de geur van wierook en gerst. Hij heet

niemand meer. Nooit meer. De naam op zijn

paspoort is uitgewist, alsof iemand hem heeft

afgemaakt zonder te bloeden.

Toen hij het laatste keer sprak, was het tegen

een kind dat hem ‘papa’ noemde. Dat kind is

verdwenen. Nog steeds staat het voor de deur van

het verlaten café aan de Léopoldstraat, in

dezelfde houding, één hand op de deurknop, het

hoofd gebogen alsof het luistert naar iets dat

nooit komt.

In de keuken vindt hij een kruik vol zand.

Binnen de zandkorrel zit een spoor: een oog, een

haar, een briefje in Frans – geschreven in een

handschrift dat hij herkent. Het briefje zegt:

“Je bent niet wie je denkt. Je hebt ze allemaal

gezien. Je hebt ze laten gaan.”

Hij loopt naar de kerk van SaintGilles. De klok

daar blijft ook stilstaan. Maar dit keer valt er

een regen van glazen flessen uit het dak. Ze

barsten op de stenen. In elke splinter zit een

beeld: een jongeman die zwaait, een vrouw die

lacht, een kind dat een bal gooit. Allemaal

mensen die hij ooit kende. En allemaal leeg. Hun

gezichten zijn weg. Slechts hun momenten blijven.

Hij haalt een mes uit de plank. Niet om zichzelf

te snijden. Om de muur te krassen. Op het plekje

waar de klok had gestaan, zit een schilderij van

een man die hij nooit heeft gezien. De man

draagt een hoed met een vleugel. De datum op de

rand: 18 augustus 1915.

Buiten begint het weer te bewegen. Eén voet. Dan

een andere. Een vogel vliegt. De lucht zuigt

terug.

Hij laat het mes vallen. Hij blijft staan. De

klok in de zitkamer gaat. Tijd stroomt weer.

Maar in de weerspiegeling van het raam ziet hij

niemand. Alleen een schaduw die langzaam

achteruitgaat, terwijl de stad in elkaar zakt

onder een nieuw soort stilte.

Het is niet het einde. Het is het begin van iets

wat nooit zou moeten beginnen.