De klok van het zware steenmijnenstation houdt
op met tikken op 04:17, precies op het moment
waarop de zon zich achter de oostelijke heuvels
moet verschuiven. Geen licht. Alleen een grijze
druppel die aan de klink van de loopbrug blijft
hangen, als bloed dat niet valt. De stad,
vroeger gestuurd door de wind van de Schelde en
de adem van fabrieksmachines, raakt stilstaand.
Het is de vierde week zonder zon. De kinderen
beginnen te huilen in de donkere scholen. De
vrouwen in de keukens roosteren geen brood meer —
het vuur smeert tegen de pannen alsof het bang
is voor het licht. Maar bij de laatste
mijntunnel, onder de oude kerk van SainteMarie,
werkt een man nog. Zijn naam is Jan. Ouvrier
syndicaliste. Hij draagt een helm met een krans
van ijzerdraad en een handboek van levenslange
arbeid. In zijn zak zit een veldkaart van de
oude vijfde wijk, waar niemand meer woont.
Tijdens een explosie in de noordgang wordt een
steenblok uit de wand gerukt. Erachter: een
ruimte die nooit bestaan heeft. Een kruisweg van
kolossale zuilen, elk versierd met beelden van
gewapende vrouwen en dieren met mensengezichten.
Een taal van oudromansch ligt ingegraven in de
muur. Jan herkent het: het was de taal van de
werklozen die vóór de oorlog onder de grond
bouwden, toen de stad nog geen volledige stad
was, maar een visioen van de Antiquiteit.
De wetten van de stad waren eenvoudig: geen
mensen onder de grond na zonsondergang. Geen
sporen van oude riten. Geen ongeoorloofde zangen.
Toen de arbeiders hun eerste beroepsserment
aflegden, legden ze ook het stilzwijgen op. Jan
had het gezwegen. Nu hoort hij het weer. Het
zingend geraas van honderden stemmen, zo laag
dat het in de tanden trilt.
Op de tweede nacht na de ontdekking, gaat hij
terug. Deze keer neemt hij de kaart mee. Bij de
centrale zuil stopt hij. De grond beweegt. Het
land onder zijn voeten lijkt te ademen. Hij ziet
een kring van zwarte handen op de vloer,
gekruist in een oude zwaardtekening. Eén hand
past precies op zijn palm.
Hij trekt het mes dat hem altijd bij de riem
hing. Niet om te vechten. Om te beloven. Hij
snijdt een streep in zijn arm. Bloed druipt op
de vloer. En het land antwoordt. De zon komt op.
Niet in de hemel. In de grond.
Een nieuwe dag breekt in de oude tunnels. De
lucht boven de stad kleurt tot grijsblauw. De
kinderen openen hun vensters. De werklieden
stoppen met klagen. De stad loopt weer. Maar Jan
weet: wat er onder de grond is, is niet dood.
Het is alleen gewoon geweest.
En nu is het terug. Met een vraag. Met een
geloof. Met een nieuwe zon.
Nostalgique.
Fantasy sombre.
Serment trahi.
Ouvrier syndicaliste.
Hommes.
Antiquité.


