De oudste stenen van het oude Rijksarchief in
Luik beginnen te trillen op 14 maart, 1936, toen
de laatste steen van de oorlogskerk wordt
verwijderd om plaats te maken voor een nieuwe
elektrische netwerkinfrastructuur. De druk van
de grond verandert: geesten van vroegere
werklieden – geblokkeerd door taalwetten – komen
vrij als duistere schaduwen in de tunnelzalen.
Het systeem werkt zo: elke keer wanneer een
gesproken taal in de publieke ruimte wordt
verboden (Flemish in Walloongebied, of vice
versa), breken er kleinere gaten in de fysieke
realiteit. De ondergrond voelt het als een
trilling. De staat noemt het ‘mechanisme van
taalgevoeligheid’.
De detektief, JeanClaude Vandevelde, komt terug
naar Brussel na twintig jaar afwezigheid. Zijn
vader was een administrateur bij de oude
Belgische overheid; zijn moeder, een Franse
lerares, verdween tijdens een verbod op het
gebruik van het Nederlands in de scholen van
Namen. Hij heeft nooit meer een woord gehoord
dat haar stem had.
In 1937 houdt hij zich bezig met het opsporen
van een vrouw die in de aantekeningen van een
vergeten archief van de Léonardkring wordt
genoemd: Sylvaine. Ze zou in 1928 een brief
geschreven hebben aan een lid van het
OudFlemisch Kring van de Vlaamse Cultuur – een
groep die werd verboden in 1925. Maar de brief
bestaat niet. Alleen de krans van dode bomen
rond de ingang van de oude stadswallen blijft
staan.
Hij vindt een kopie van de brief in een gestolen
dossier, ingewikkeld verborgen achter een muur
in de kelder van een nieuwbouwproject in
SintGillis. Het papier is van 1928, maar de inkt
is nog fris. De tekst bevat geen woorden –
alleen een tekensysteem dat gelijk is aan de
antieke talen van het oostelijk Ardennen, een
taal die nooit opgeschreven is geweest.
Op de avond van de winterzonnewende in 1938,
terwijl de eerste elektrische straatverlichting
in het centrum brandt, verschijnt een figuur in
de kelder. Geen mens. Een glinsterend silhouet
in een jas van geknoopte veer, met een gezicht
dat niet op een gezicht lijkt. De lucht ruikt
naar kool en eikenhout.
JeanClaude loopt terug naar de woning van zijn
oude huisgenoot, een exbewaker van de oude
stadsmuren. De man zegt niets. Hij legt een
dubbele sleutel neer – één van messing, één van
ijs. "Gebruik de ijssleutel pas als je weet wie
je bent."
De volgende ochtend is het gebouw leeg. De
ijssleutel is weg. De kelder is nu een open gat,
gevuld met een witte mist die rookt als
verbrande bladeren.
JeanClaude keert terug naar het oude station van
Tervueren. Hij ziet haar daar – Sylvaine – niet
in vlees en bloed, maar in een reflexie op het
raam van een stilstaande trein. Ze draagt een
jurk van lichtstof, en haar hand beweegt alsof
ze iets wil zeggen.
Hij probeert te lopen. Zijn voeten steken vast
in de vloer. Het stationsbord wijst naar een
vertrekdatum: 1928. De naam van de trein:
Vlaamse Echo.
Hij herinnert zich niets. Maar hij voelt het:
het is een vlucht, niet van de wereld, maar van
het verleden dat hij nooit heeft willen loslaten.
Hij blijft staan.
De trein rijdt weg.
En de mist vult de hal.


