De laatste zonsondergang van september glijdt
over de oever van de Sambre, waar de kerk van
SainteCécile, verloren in het bos, haar stenen
houding bewaart sinds de tijd van de Romeinse
heerschappij. De grond onder haar fundamenten
trilt niet meer, maar de lucht daarbinnen is
zwaar van iets wat nooit was gestorven.
Een man in een versleten mantel komt aan,
voetstappen doordrenkt in modder. Zijn naam
wordt niet genoemd. Hij is geen priester meer,
maar zijn handen dragen nog steeds de
liturgische vlekken van de eucharistie. Toen hij
de plek zag, wist hij: deze kerk was geen gebouw,
maar een bloedvatenstelsel van de oudere wereld.
In de kelder, onder de ommuurde ruimte waar
vroeger de schriftrollen werden bewaard, liggen
tientallen botten in een rij — geen mensen, maar
figuren met koppen vol ingegraveringen, als ware
ze in de stenen waren verweven. Een regel in het
Latijn, gesneden in de muur: “Qui non timet, non
audet; qui non audet, non servit.” Wie niet
vreest, durft niet; wie niet durft, diendt.
Toen hij zich omkeerde, zag hij haar: een vrouw
in een donkere jas, haar ogen vol witte vlekken.
Ze had geen stem, maar haar aanwezigheid vulde
de ruimte alsof ze sprak. Zonder woorden liet ze
hem weten dat de kerk leefde — dat elke ziel die
er ooit geweest was, nu ondergedoken in de muren
zat. En dat alleen degene die het verst zou gaan
in de stilte, kon vrijkomen.
Hij moest kiezen: de ondertoon van haar
afwezigheid negeren, of luisteren naar het
fluisterende verlangen dat uit haar kleding
omhoog kronkelde. Zij was geen mens. Ze was het
geheugen van het dorp. En zij wist alles wat hij
wilde vergeten.
De volgende ochtend werd hij gevonden bij de
bron achter de kerk, met de handen op de stenen,
bevroren in een houding van gebed. Zijn mantel
lag open, en op zijn borst stond een oude
zegening: “Pax in terris.” Maar zijn ogen waren
gesloten, alsof hij al lang geleden was
weggegaan.
Bij het graf van de laatste pastoor werd een
brief gevonden, zonder handschrift. Alleen de
tekst: “Ik ben niet teruggekomen voor mijn god.
Ik ben teruggekomen omdat niemand anders me
herkende.”
En toen begonnen de kinderen in het dorp, elke
avond, te huilen zonder reden. Het geluid kwam
niet van buiten. Het kwam uit hun hoofden. De
stilte had zich uitgebreid. Het was overal. Het
was binnen.
De kerk bleef staan. De boom boven de ingang
groeide sneller. De mensen praatten niet meer.
Ze keken alleen.
Het was voorbij. En toch was het pas begonnen.


