De stenen van de oude stad lagen onder het
metrostation Gare Centrale, niet als ruïne, maar
als levend systeem: straten met afwijkende
hoeken, huizen zonder daken, een rivier van
smeltwater die door de tunnels kronkelde. De
mensen daar wisten niet hoe oud het was. Ze
leefden er, zonder te weten dat de wereld boven
hen in 1918 had stilgestaan — dat alle zware
machines, alle elektriciteit, alle schepen uit
de oorlog hadden gewacht op een signaal dat
nooit kwam.
Het land boven de grond had zich hersteld, maar
hier beneden bleef de tijd vastzitten in de
zware muren van de Antiquité. Iedere nacht, om
twaalf uur, knapten de klokken in de onderwereld.
Het was geen geluid, maar een druk in de schedel
— een belofte van vernietiging. Soldaten die
ooit aan de frontlijn waren geweest, werden nu
genoodzaakt om terug te keren naar deze holle
grotten. Hun geesten waren gestolen, maar hun
lichamen bewogen nog.
Hij herkende de stank van olie op zijn handen.
De kou in zijn rug. Hij had twee jaar lang niets
gezegd, niets gevoeld, behalve het geploeter van
de regen door de pijpen. Toen begon hij te
denken aan een kind dat nooit geboren was. Een
meisje met haar moeders ogen. Hij zag haar
achter de stenen wand, even flitsend als een
lampje in een donkere kamer.
Maar het was geen beeld. Het was een regel. Als
hij haar zag, moest hij haar volgen. En als hij
haar volgde, verdween de realiteit boven de
grond — de telefoon, de winkels, de taal van de
vrede. Hij kon alleen nog leven in de
onderwereld, waar het eten uit de rijstvelden
kwam die nooit meer bestonden, en de wateren
rood waren van de zandkorrels uit een
oorlogsgracht.
Toen hij eenmaal het huis van zijn vader in het
bos van Soignies vond — een huis dat nooit was
afgebrand, maar altijd stond in de duisternis —
wist hij dat hij één ding kon doen: stoppen met
zoeken. Hij liet haar achter.
De volgende ochtend werd hij gevonden op de brug
van de Heysel. Zijn jas was nat van het water
van de Ardennes, maar zijn ogen waren helder.
Hij liep zonder aarzelen richting het daglicht.
De stenen onder hem begonnen te kraken. Maar dit
keer reageerde niemand. Geen klok. Geen druk.
Geen herinnering.
Hij was niet dood. Maar ook niet terug.
In de metrostations bleef het geruis van water.
In de kelders begon men te fluisteren over een
man die nooit had moeten terugkeren.
En in het midden van de stad, bij het monument
van de Zwarte Vrijheid, verscheen een nieuw bord.
Klein. Met zwarte letters.
“Geen heimwee.”


