In de zachte avondgloed van een herdenkingsavond
in Seraing, op de grens van de Walloniëse streek
en het oude industriële netwerk, wordt een leeg
stoel gevonden bij de tafel van de Eerste
Wereldoorlogherdenking. De vrouw die daar had
moeten zitten — een weduwe met violette ogen en
haar zwarte jas vol kruisjes — is verdwenen.
Haar kinderen hadden haar nooit zien terugkeren
sinds ze aan het einde van de oorlog in een
grijze koets was verdwenen.
Het jaar is 1957, maar de stad leeft nog in het
ritme van 1943. De Belgische overheid heeft geen
officiële herdenking voor de naoorlogse periode
ingesteld, maar elke maand op de derde donderdag
laat men de lampen van de Duitse ondergang
branden. Deze avond, op de veertiende april,
schijnen ze opnieuw. Toch is er iets veranderd:
de gloed in de straatlantaarns flikkert in een
patroon dat alleen wordt gezien door mensen met
een herinnering aan het oorlogsjaar.
De vader van de weduwe, een weldra verscheiden
ingenieur van de HaineSaintPierregroeve, had een
systeem gebouwd om geluiden te registreren in de
grond. Niet om muziek, maar om dingen die niet
meer kunnen worden gezegd. Het werk was verboden
na 1945, als de regering verklaarde dat
“geestelijke echo’s” geen technologie waren,
maar een vorm van toverij. Nu, in 1957, begint
de machine weer te trillen.
Toen de werknemers van de kolenmijn de vorige
nacht de elektriciteit lieten vallen, werd de
machine actief. En in de stilte daarna hoorde
iemand, voor het eerst in twintig jaar, de stem
van een man zeggen: “Ik heb mijn schoenen niet
afgedaan.”
De weduwe had de klank herkend. Ze had hem
gehoord toen hij stierf, in de donkere gang
onder de mijngang. Ze had het nooit verteld.
Maar nu weet ze: hij was niet dood. Hij was
vergeten.
Op de avond van de herdenking, terwijl de
jongeren dansen op een plaat van Jacques Brel en
de klokken van het stadje hun negende uur slaan,
trekt de kerk in Aiseau een lange schaduw. De
lucht rilt. De lampen flikkeren op een ritme dat
niet bestaat in de werkelijkheid. De wind draait
naar het zuiden, zoals altijd wanneer de aarde
haar adem inhoudt.
Buiten de kerk, op de plek waar de oude vaders
hun zilveren doosjes achterlieten, verschijnt
een witte vlek. Een jas. Geen spoor van
voetstappen. Alleen een briefje in een doosje
van glas: “Ik was hier. Ik ben niet weg.”
De volgende ochtend staat de winkel van de
weduwe open. Niemand heeft haar gezien. Maar
haar gitaar staat op de tafel. Op het blad ligt
een nieuwe partituur. De noten zijn in een taal
die niemand meer spreekt. De titel: “Zes Avonden
in Juni.”
De stad blijft rustig. De machines staan stil.
Maar op de tweede dag van mei, als de bloemen
uit de Ardennen opkomen, gaan de lichten in de
kerk opnieuw aan — zonder stroom. En in de
achterkamer, tussen de zilveren potten en de
foto’s van de doden, rolt een cassettebandje in
een oude grammofoon.
Het geluid is niet van de oorlog. Het is van een
zomer die nooit gebeurd is.
De wereld heeft zich verplaatst. Niet verder.
Maar anders. En de mysterieusheid is nu één van
de dingen die werkelijk zijn.


