De velden bij Oostende wisselden kleur met de
wind: grijszwart als het asfalt van de nieuwe
snelweg, geel als de pijnbomen langs de grens.
In 1934, toen de staatsinstellingen nog de naam
‘Vlaams’ durfden te gebruiken in de openbare
dienst, werd het land gesplitst door een stille
wet — de taal van de klok was verboden in de
schoolzalen, en alleen het Franse uur kon de
kinderhanden leiden.
De oudste bewoner van het dorp, Mevrouw Léonie,
had geen telefoon, maar wel een notitieboek vol
ingekrulde krantenartikelen. Haar huis stond op
de plek waar de oude bremboom omviel tijdens de
eerste oorlog. Ze herkende de lucht: vochtig,
zwaar, net zoals toen de oorlogskinderen onder
de dakranden huiverden.
Toen de jongeren van de gemeente begonnen te
branden in het bos, niet voor warmte, maar om
iets te bewijzen, zag zij het. Zij zag dat ze
niet brandden om de hitte, maar om de
herinnering aan een woord dat nooit meer mocht
worden gezegd: ‘Vlaanderen’.
Op een avond in augustus, onder een hemel die
bleef bloeden na een regenbui, vond men een
lichaam in de oude kerk. Het was gevuld met
koolstof, de handen gebroken in een halve boog,
de lippen opgezet tot een glimlach die nooit
geweest was. Op de grond lag een witte doek,
versierd met een tekening van een boom zonder
wortels.
De wet zei: geen begrafenis buiten de kerk, geen
toegang tot de zondagsschool zonder certificaat
van Fransbeheersing. Maar niemand sprak. Niemand
durfde.
Mevrouw Léonie liep naar de kerk. Ze liet haar
wandelstok vallen. De grond knaagde onder haar
schoenen. Toen zette ze het notitieboek op de
altaar, bladerde terug naar 1917. Daar stond het:
een rij namen. Allemaal dood. Allemaal met
dezelfde fout: ze hadden een kind aangeduid als
Vlaams.
Ze sloot de deur. De kerk brandde binnen tien
minuten. Geen noodweer. Geen mensen. Alleen een
laag, donkere rook die over de akkers gleed. En
in het midden, op de vloer, lag een stukje brood.
Blijven eten was verboden.
De volgende ochtend: geen vuur. Geen rook.
Alleen een zwart gat in de grond. De kerk was
verdwenen. De naam van de gemeente stond nu op
een nieuw bord: NieuwBrabant.
Het water in de put had smaak van as. De
kinderen zagen geen oude vrouw meer. De schaduw
was vergeten.
Maar in de zomer van ’35, op een dag zonder zon,
groeide er een eikenboom aan de rand van het bos.
Zonder wortels. Met één blad.


