De woonkamer van een villa in SintGillis kreeg
geen warmte meer van de haard. De kachel stond
leeg, maar de elektrische verwarming had zich al
opgevreten. Op de grond lag een gerafelde kaart
van de Ardennen, met een speld in de buurt van
Houffalize. Binnen twee dagen zou de zon
ondergaan achter de Vlaamse heuvels, en het was
de eerste keer sinds 1926 dat de kinderstemmen
in de school van de rue des Chênes niet meer
zongen in het Frans.
Hij kwam terug zonder koffer, alleen met een
briefje in zijn zak: Zie je niet dat de taal
wegkwijnt? Het was de hand van zijn moeder, maar
hij kon haar handschrift niet meer herkennen.
Zijn geheugen begon te vervagen op het moment
dat de elektriciteitsnetten in de zuidelijke
districts begonnen te staken — niet door gebrek
aan stroom, maar omdat de nieuwe regering elke
week een nieuwe taalreglement uitschreef. De wet
sprak niet meer in feiten, maar in bevelen:
Frans of dood.
In de nacht van 15 november, toen de storm de
spoorwegen blokkeerde, vond ze het dossier. Niet
op haar bureau, maar tussen de ruiten van de
kapotte tuindeur. Een doos vol foto’s van mensen
die nooit bestaan hadden. Kinderen met gezichten
van dieren. Een man in een zwarte jas die haar
voet vasthield terwijl ze op het dak van een
kerk stond. Ze herkende niemand, maar haar hand
trilde alsof ze iemand had gestreken.
Toen de telefoon eindelijk ging, was er geen
stem. Alleen een tiktiktik als een hartslag. Ze
keek naar de wandklok. Het was half vier, maar
de wijzers stonden stil. En toch hoorde ze het
geluid van een tram die nooit reed in deze
straat.
Op 2 december, tijdens het eerste rijstover van
de winter, brak de voordeur open. Geen gewapend
commando, geen postbode. Slechts een jonge man
in een groen uniform van de Nieuwe Scholen, met
een map vol namen. Hij liep langs haar, zonder
te kijken. Toen hij verdween, hoorde ze haar
eigen stem zeggen: Je bent niet wat je denkt.
Ze vond het antwoord op het papier onder haar
matras. Een lijst van tien namen. Allemaal
mensen die op de foto’s stonden. Allemaal mensen
die overleefd hadden. Ze staarde naar de laatste
naam. Haar eigen.
De volgende ochtend stond de kachel brandend. De
zon scheen op het scherm van de radio. Er werd
geen nieuws uit België uitgezonden. Alleen een
liedje van een meisje uit Liège, met een vreemde
melodie. Ze deed het raam open. Buiten was geen
wind. Alleen een paar kruisen op een voetpad.
En nu, voor het eerst in maanden, wist ze dat ze
niets wist. Maar ze wist ook dat het goed was.


