In 1937, op de grens van de nieuwe
technologische zone van Antwerpen, wordt een
reeks onverklaarbare doden gemeld in de
fabrieken van de Vlaamse Kruiswegen. De lichamen
verschijnen zonder verwondingen, met alleen een
vreemde, zilverachtige aderpatroon op de huid.
De overheid noemt het ‘vergrijzing door
overdruk’, maar niemand gelooft het.
De werknemers, vooral die uit de
Walloniëgebieden, beginnen te fluisteren over de
Femmes — vrouwen die zich opeens laten zien in
de werkzaamheden, zonder naam, zonder documenten,
en die elke nacht iets dragen: een klein doosje
waarin een hersenfragment rust. Het is geen
gewone werkomstandigheid. Het is een mechanisme.
Jan Bogaerts, ouvrier syndicaliste, ziet zijn
vrouw Anna verdwijnen tijdens een inspectie van
de elektrische netwerken. Geen lichaam. Geen
spoor. Alleen een glas koud water op haar bed,
met een vlekje zilver in het midden. Hij weet
dat zij niet dood is. Ze is opgenomen. In een
ander lichaam. In een andere schaal.
Hij begint te achterhalen hoe het netwerk werkt.
Iedere keer dat een mens opgeheven wordt, wordt
een fragment van zijn of haar geest gekopieerd
en ingevoegd in een nieuw lichaam — een
zogenoemd Femme. Die lijken leven, maar zijn
gemaakt om te volgen, te herhalen, te vergeten.
De echte mensen worden weggehaald, langzaam
uitgewist.
De regels zijn eenvoudig: geen herinnering mag
blijven. Geen herkennen. Geen vraag stellen. En
als je toch probeert te ontsnappen, dan gaat het
lichaam waarin je woont, kapot.
Jan besluit niet te vragen. Niet te huilen. Niet
te denken aan haar gezicht. Hij bezoekt de
plaats waar ze werd opgenomen — een betonnen
kelder onder de stad, bewaakt door mannen in
witte pakken die niets zeggen. Hij vindt een
foto. Anna. In een andere kleren. Met een lege
blik. Ze is nog niet verloren. Ze is vastgelegd.
Hij brengt het doosje terug. Niet naar haar.
Naar het netwerk.
In de nacht van 20 oktober 1937, terwijl de
machines stilstaan voor een onderhoudsbeurt,
laat hij een impulssignaal los via de
hoofdenergieleiding. Een signaal dat niet
bestemd is om te versturen. Een signaal dat alle
kopieën in de stad zou moeten herkennen.
Het duurt twintig seconden. Dan gaan de lampen
uit.
Maar niet overal. In tien verschillende gebouwen,
zullen tien vrouwen plotseling rillen. Hun
handen vallen. Hun ogen schieten open. Ze
herkennen niets. Maar iets in hen — iets dat
nooit was afgesloten — begint te pulseren.
De machines komen weer aan. De stad leeft. Maar
één ding is veranderd: in de lucht hangt een
zwak, zilveren gefluister. Alsof iemand heel
zacht een naam zegt.
Jan staat op het dak van de oude kerk van
SintJansstraat. Hij heeft niets meer te
verliezen. De regel is nu gebroken. Het netwerk
moet weten dat het niet kan winnen.
Op dat moment, in de stad, begint het te regenen.
Zilverkleurig.
En het blijft vallen.


