De fabriek in GillyWalloon is verbrand, maar het
rookspoor blijft in de adem van de stad. De
grond is nog warm onder de voeten van Léonie,
die met een houten kist vol geheugen terugkeert
naar de uitgestorven industriezone. Haar vader,
een meesterwerktuigkundige, liet haar niets na
dan een oud klokje dat geen tijd meer meet.
In de afgelopen maanden sijgde een stilte door
de straten van Namen: alle huizen met een
lichtknop op de ingang werken alleen op verzoek
van de stadsraad. Een nieuwe regeling – toegang
tot elektriciteit via mentale bevoegdheid –
wordt uitgeprobeerder. De stad is
getransformeerd: wie zich niet laat controleren,
raakt in het duister.
Léonie weet niet dat haar eigen herinneringen al
jaren zijn gewijzigd. Het klokje tikte niet meer,
maar wel in haar hoofd. Op een avond in januari,
terwijl zij een oude plaat draait op een
draaitafel zonder stroom, hoorde ze voor het
eerst haar moeder zingen – een stem die nooit
bestond. Ze dacht aan de zondagse mis in de
kapel, waar haar vader ooit het kerkorgel
bediende. Maar daar was geen orgel. En geen
massa.
Toen ze haar hand uitstrekte om het klokje te
openen, barstte er een zilveren draad uit haar
pols – net als bij de andere ‘gezonde’ burgers
die nu de weg vormen van de nieuwe stad. Ze had
nooit gezien hoe het ging: elke dag wanneer je
het licht aanzette, gaf je een beetje van je
geest af aan de centrale. De wet stond niet in
de wetten; ze zat in de aarde, in de draden, in
de ziel van de reeds verdwenen industrie.
Zonder te denken, brak ze het klokje tegen de
muur. Het vuur dat uitbrak was niet van metaal,
maar van levende herinneringen – kinderstemmen,
liedjes van het kerkkoor, de klank van een
machine die nooit gestopt was. Iedereen in de
buurt verstomde. Hun lichten doofden. En
plotseling, in de stilte, begonnen hun ogen te
tranen.
Léonie liep naar buiten. De lucht was donker,
maar de hemel boven de Ardennen leek te trillen.
De eerste keer dat ze echt kon zien, zonder dat
iemand haar bewustzijn zou lenen. Zij was geen
bescherming. Zij was het verlies.
De stad bleef ademhalen – op haar manier. Maar
op één plek, onder een oude cipres, lag het
klokje in tweeën, met een speld van licht erin.
De menselijke geest kan niet zo veel zien. De
waarheid is te groot.
En toch – in de ochtend, toen de nieuwe lichten
weer aangingen – stond er een meisje in de
deuropening van een huis. Ze had geen klokje.
Maar ze keek alsof ze alles wist.


