18 november 1932 — De regen vreet aan de
zandwegen van het HoogArdennen. Een spoor van
laarzen verdwijnt tussen de eiken, afgewisseld
door voetsporen die geen mens kunnen maken. Het
bos houdt zijn adem in.
Het stadhuis te Bastogne ligt in rust. Zes dagen
eerder werd de kinderarts Elise Moreau gevonden
op de oever van de Semois, gekleed in een witte
jas, haar haar gescheiden in een ritueel patroon,
haar mond vol modder maar gesloten. Geen bloed.
Geen wond. Alleen een geur van rottende kool en
oude kerkhout.
De rechercheur Armand Lefèvre, afgezonderd van
de stadsgewesten, komt terug naar de havenstad
met een briefje van het Bureau voor Onderzoek
van de Minderheidsvraag. Zijn functie is
beëindigd: hij sprak te veel Frans bij
werkzaamheden in het Vlaams gebied. Nu is hij
privé. Maar de stad wil hem niet kwijt. Hij
wordt gestuurd naar de moordplaats — niet als
onderzoeker, maar als bliksemkoppel.
In de keuken van het huis van Moreau staat een
klok zonder wijzerplaat. De muren zijn bedekt
met tekeningen van nachtelijke vogels met
mensengezichten. De bewoner van het huis, een
oudere man uit Namen, vertelt niets. Zijn ogen
zijn leeg. Als hij iets zegt, is het altijd in
dialect, in een toon die geen woorden herkent.
Lefèvre vindt een schrift op de grond naast de
brug. Dagenlang heeft hij erin gekeken. In het
boek staan beschrijvingen van ‘de Nacht van de
Vleermuis’, een traditie uit de Eerste
Wereldoorlog die in de Ardennen overleefde: elke
vijf jaar, op 18 november, zullen de doden van
de vallei hun stemmen terugvinden in het hoofd
van iemand die niet wil luisteren.
Op 25 november, in de duisternis van het dorpje
Bousval, verscheen een zwarte figuur met een
masker van blad. Het was Elise. Ze liep langs de
kerk, haar jas in brand, maar de vlammen gaven
geen hitte. Niemand zag haar. Niemand kon haar
zien.
Lefèvre loopt naar de plek waar ze werd gevonden.
Hij klimt de oever op. Aan de voet van een eik
zit een kinderbedje. Daarin ligt een baby,
volledig doof, met ogen die nooit hebben gezien.
Op het bedje staat een handschrift: “Je mag niet
omhoog kijken.”
Hij draait zich om. Achter hem staat een vrouw
in een oude lichtblauwe jurk. Haar gezicht is
geen gezicht. Het is een plek waar vormen zich
verliezen. Ze houdt een hand op zijn arm. Zijn
pols trilt. De klok in zijn zak begint te tikken.
Twee minuten lang. Dan stopt het.
De volgende ochtend is de sfeer anders. Het bos
lijkt gewikkeld in een nevel die niet weggaat.
De mensen praten niet meer over de dood. Ze
lachen. Ze zingen. Maar hun stemmen klinken
gedempt, alsof ze al jaren onder water leven.
Lefèvre laat het schrift achter in het houten
kistje van de oude man. Hij gaat niet terug naar
Bastogne. Hij blijft in het bos. Zijn paspoort
is ingeklemd tussen twee platen van een oude
radio. Op de zijkant van de radio staat: “Als je
niet luistert, hoort niemand je.”
De klok in zijn zak is verdwenen. Maar soms, op
avonden zonder maan, hoort hij hem tikkend in
zijn slaap.


