De ochtend van de twintigste januari breekt met
een mist die niet opklaart. In een houten huis
aan de rand van de Lommevallei kruist een vrouw
de vloer van haar keuken, handen gebogen over
een theekop waarin geen damp stijgt. De lamp aan
het plafond trilt zonder elektriciteit. Ze heet
Clara Verlinden, oudleerkracht van de kleine
school in Ciney, getrouwd met een geologisch
onderzoeker die in 1938 verdween tijdens een
expeditiesoort in de grotten van L’Aisne.
De taal van de mensen in haar dorp wijzigt op de
tweede dag: woorden verschrompelen tot
schaduwwoorden. Mensen noemen hun kinderen niet
meer bij naam. Op de markt blijft iemand staan
kijken naar de lege plek waar een melkkan stond,
alsof hij een herinnering probeert te voeden.
Iedereen zegt niets. Maar iets anders is er. Het
bos snuift.
Op de derde avond dringt een wind door het raam
dat nooit open is geweest. De muur achter de
haard verandert: de stenen beginnen te
fluisteren in een taal die alleen Clara begrijpt.
Zij heeft geen vader, geen moeder, geen echte
jeugd. Haar kinderjaren waren een gesprek tussen
twee vrouwen in een kelder in Charleroi, één van
wie haar gezicht verbrand was door een fles
brandende olie. Die vrouw noemde zich Femmes.
Clara gaat niet terug naar haar school. In
plaats daarvan kruipt ze onder de brug van het
oude spoorwegstation in Huy, waar het gras
groeit tussen de rails. Daar komt een man
tevoorschijn, halfmens, halfsteen, met ogen vol
zwarte zand. Zijn lippen bewegen, maar geen
geluid komt eruit. Hij draagt een jas van donker
wol, gevuld met botten van jonge eiken. Hij is
de man die is verdwenen. Of wat van hem
overbleef.
Het land heeft zichzelf vergeten. De wetten van
natuur zijn verdraaid: water stroomt omhoog, en
muren ademen. De politie van Liège laat de grens
van de Ardennen afsluiten, maar de mensen binnen
de zone zien hun schaduwen bewegen zonder
lichaam. Er is geen straf voor verdwijning.
Alleen een stilte die duurt tot je erin
verdwijnt.
In de grotten van L’Aisne wordt een nieuwe
toegang gevonden: een steen die bloedt wanneer
je hem aanraakt. Clara legt haar hand erop. De
muur valt in elkaar. Achter haar verschijnt een
landschap waar de dieren met mensengesichten
lopen en de zon een zwart punt is. Een wereld
die niet bestaat, maar altijd bestaan heeft.
Ze rent terug. De school is leeg. Haar lade met
foto’s is leeg. Maar op het schoolbord staat een
woord geschreven in rode kleurstift: Niet hier.
Die nacht laat ze haar eigen naam verdwijnen. Ze
pakt een schaar, snijdt haar haar in de vorm van
een halve maan, en gooit het in de schoorsteen.
Als het vuur aangrijpt, schreeuwt het niet. Het
flauwt.
De volgende ochtend is er geen bezoek. Geen
nieuws. De kerk in Ciney doet haar deuren niet
open. En de jonge student die haar leerling was —
een zoon van een oude werkman uit Seraing —
vindt een brief op zijn bank. Hij leest hem.
Zijn handen beginnen te trillen. Hij weet niet
hoe hij het moet vertalen.
Clara is verdwenen. Maar haar leerlingen blijven
haar lesboek openstaan. Op de eerste bladzijde
staat een tekening: een vrouw met een hoofd van
glas, die in een kamer met vier ramen staat. Elk
venster toont een andere tijd. Een ervan is rood.
De wereld heeft zich niet veranderd.
Maar zij wel.


